donderdag 1 juli 2010

Gladiatoren in Limburg


Het is zondag 27 juni 2010 (17:00 uur) en ik moet denken aan Spartacus. Door de Romeinen gevangen genomen en als gladiator vechtend voor een beloofde vrijheid en een weerzien met zijn vrouw. Spartacus traint met andere gladiatoren onder een allesverzengende zon om zich klaar te maken voor gevechten in de Arena van de stad Capua. De mannen zijn bezweet en bedekt met stof. Maanden heeft het al niet geregend en de Romeinen doen alles om de goden gunstig te stemmen. Spartacus is sterk en lijkt onoverwinnelijk. Als hij uiteindelijk het kampioensgevecht van Capua wint – en al vele koppen door het zand en zaagsel heeft laten rollen – trekt de hemel eindelijk dicht en begint het onbedaarlijk te regenen. De goden zijn tevreden.

Het is zondag 27 juni 2010 (06:00 uur) en ik rijd, samen met 15 andere Arena leden, naar Vaals. Er zijn twee teams aangemeld voor het lopen van 7 zware etappes tussen Vaals en Venlo. Als je niet loopt dan fiets je met een andere loper mee om de weg te wijzen. De zon is al op en het beloofd een mooie, warme dag te worden. Na een korte leiderschapsstrijd op de A15 (richting A2 Eindhoven) wordt er gekeerd en voor de nieuwe weg lang Venlo en Roermond gekozen. Ik ben tevreden met deze winst en pak een beker heerlijke koffie (van Ria) aan. Net als de anderen gebruik ik de twee uur naar Vaals voor wakker worden en wennen aan het idee dat we straks door het heuvelige Limburgse land aan het rennen zijn. Bij 30° + en een onbewolkte lucht.

Het is zondag 27 juni 2010 (11:00 uur) en ik tik de hand van de derde loper (Eite) in ons team aan. Vervolgens zoek ik de schaduw en water op. Na bijna 14 kilometer door de heuvels heb ik het kookpunt bereikt. Een fietser (Johannes) flitst voorbij en sluit zich bij Eite aan. Fietser twee ontbreekt. Samen op weg voor etappe 3. Beide heren zijn fit en transformeren de etappe van 17,4 km in het routeboek naar 19 kilometer in de werkelijkheid. Hun verlangen om langer in de verschroeiende zon actief te zijn is kennelijk groot. Ook nr. 3 levert een grootse prestatie. Vooral omdat hij zijn aversie tegen hitte heeft kunnen omzetten in een mooie tijd. Ik koel wat af en stap op de fiets om loper nummer 4 (Carina) te begeleiden. De zon staat inmiddels op zijn hoogst en veel schaduwbiedende bomen komen we niet tegen onderweg. Vanaf de fiets zie ik mijn vrouw, nog steeds wonderschoon en lieftallig, een kleur rood aannemen die groot gevaar doet vermoeden. Maar ze vecht door.

Het is zondag 27 juni 2010 (13:00 uur) en ik schrik. “Daar zijn jullie eindelijk. Net op tijd. We hebben de fietsen nodig!” De laatste energie wordt in een klap uit loper 4 geslagen; ze finisht en stort ter aarde. Elders wordt de fiets onder mijn kont vandaan getrokken. Het kon niet anders. Na 4 etappes is er een herstart. De tijdsindeling was voor onze teams ongunstig. Een pauze op het lommerrijke voetbalveld van St. Joost werd ons niet gegund. Enfin. Loper 5 (Johannes) is weg voor zijn 17 kilometer. De fietser met lichte vertraging erachteraan. De twee vinden elkaar, maar niet altijd de juiste weg. Ook nu maakt Johannes er een langere etappe van. Maar hij is niet blij. Sterker nog; hij is witheet. De fietser moet het, na een minne streek, zwaar verduren. Johannes houdt niet van water. En het is heet in Herkenbosch. Snoeiheet.

Het is zondag 27 juni 2010 (16:25 uur) en ik zie plotseling loper 6 om de hoek stuiven. Dat kan alleen maar Renée zijn. We tikken elkaar aan en ik ben weg voor mijn tweede etappe die dag. Naar de finish in Venlo. Maar waar zijn mijn fietsers? Onderweg regel ik het een en ander en uiteindelijk gaan we gedrieën (Eite en Ria) verder. Nooit geweten dat er boomgaarden in Noord-Limburg zijn. Maar dat het heet is tussen die kleine boompjes weet ik nu wel. Ik laat me afleiden door de gesprekken tussen Ria en Eite. En heb verder zo mijn eigen lucide dromen. Ingegeven door de felle zon en de warmte. Een enkele keer stokt het en moet ik een paar minuten de fiets pakken. Mijn hartslag kan weer wat dalen. Daarna loop ik weer verder. Vals plat over een stoffige weg richting Venlo. Het lijkt de vloer van een Romeinse Arena wel.

Het is zondag 27 juni 2010 (18:30 uur) en ik moet weer denken aan Spartacus. Met mijn gegeselde lijf sta ik onder de douche. Zoals de regen neerdaalde over Capua valt nu het verkwikkende douchewater over mij heen. Als een gladiator heb ik – net als de anderen – mijn gevechten in een verzengende hitte geleverd. De goden zijn met mij. Ik heb gewonnen; het overleefd om het te kunnen navertellen.

vrijdag 11 juni 2010

De bevrediging van falen


Diep was het zwarte gat waarin hij verdween na jaren op het hoogste niveau gepresteerd te hebben. Iets te lang was hij doorgegaan met zijn carrière. Van ophouden wist hij niet; ook al kreeg hij van steeds meer mensen het predikaat ‘over de houdbaarheidsdatum’ en zelfs ‘zielig’. Hij ging door omdat hij niks anders kon. Een ander leven kon hij zich simpelweg niet voorstellen. Ondertussen liep zijn zelfbeeld flinke deuken op. Maar van wijken wilde hij niets weten. Tot hij gedwongen werd te vertrekken. Het was over; men moest hem niet meer. Het zwarte gat kwam dan ook met een grote knal en was onherroepelijk.

Hij vertoonde zich niet meer. Schaamde zich en voelde zich bovenal nutteloos en overbodig. Al zijn tijd bracht hij door op de bank met de afstandbediening in zijn hand. Zijn apathie groeide, net als het haar op zijn gezicht, met de dag. Hij wentelde zich in zijn leed en begreep zichzelf en de wereld niet meer. Volledig isolement dreigde. Na bijna een jaar nauwelijks buiten geweest te zijn laat hij zich verleiden door een oud-collega om eens wat te gaan drinken samen. De afstandbediening in zijn hand wordt vervangen door een glas. De bank verruilt door een barkruk.


In de roes van alcohol bouwt hij vriendschappen op met soortgenoten. Mannen die het even niet meer weten. Mannen die hun vastigheid kwijt zijn en niet meer uitgedaagd worden hun talenten te tonen. Het niveau van hun ‘jeugd’ wordt niet meer gehaald. De lat ligt te hoog. Hij is populair bij zijn kroegvrienden. Onder invloed is hij vrolijk en vertelt mooie verhalen uit zijn verleden. Zijn humor is recht door zee, schokkerend en zwart. Een reflectie van hoe hij zich werkelijk voelt. Hoe hij zichzelf ziet. Hij lacht om niet te hoeven huilen.

Jaren leeft hij zo van zijn spaarcenten. In zijn hoogtij dagen verdiende hij veel. Hij leefde voor zijn carrière en maakte destijds weinig op. Dat kwam hem nu goed uit. Hij was geliefd in de stad en in het uitgaansleven. En werd voor vele feestjes gevraagd. Met veel humor ongezouten zijn mening geven. Dat werd zijn handelsmerk. Hij lachte zelf het hardste mee en had een positieve invloed op de omgeving waarin hij verkeerde. De lach en waardering van anderen bevrijdde hem van zijn apathische houding. Van zijn nutteloze gevoel.

Zijn omgeving verandert. Niet langer verkeert hij tussen mannen die het leven als uitzichtloos ervaren. Hij hoort er weer bij. Ontmoet succesvolle mensen, maar ook waardevolle mensen. Hij trekt zich op uit het zwarte gat en krijgt weer zin in het leven. Hij begint te beseffen dat hij toch iets anders kan. Mensen entertainen met zijn verhalen. Hij wordt als geloofwaardig ervaren. Vroeger heeft hij immers een geweldige carrière gehad. Zijn mening is wat waard. Spreken is nu zijn vak en mensen betalen geld om naar hem te luisteren.


Honderd keer per jaar vertelt hij aan een publiek zijn verhaal en de wijze lessen die er uit te trekken zijn. Over het gebruiken van je sterke punten. Niet denken over hoe je problemen moet oplossen, maar over hoe je succes kunt kopiëren. En dat het leven je overkomt en je er maar het beste van moet maken. Dat dalen nodig zijn om de toppen te waarderen. Over succes en falen. Vooral over de beleving van falen gaan zijn verhalen; en je daarna weer oprichten. Achter zijn jolige optredens blijft echter een tobber schuil gaan. Een tobber die naar zijn eigen beleving meer faalt dan slaagt.

In zijn jonge jaren heeft hij gepiekt. Is de prestatiemeetlat heel hoog komen te liggen. Toen haalde hij zijn niveau en was een topper. Het inzetten van het verval deed hem in een zwart gat belanden. De meetlat bleef hoog en hij is er nooit meer bij in de buurt gekomen. Ondanks al zijn aangeleerd relativeringsvermogen heeft hij het nooit voor elkaar gekregen de meetlat naar beneden te halen, zodat hij de bevrediging van het slagen weer kon ervaren. Hij blijft zijn bevrediging zoeken in het falen. Hij kan niet anders. Voor zijn eigen gevoel is hij continue bezig zichzelf zo te positioneren dat falen het resultaat zal zijn. Zijn omgeving begrijpt hem niet. Zij leggen hem langs een heel andere meetlat en zien hem er steeds weer in slagen geliefd en succesvol te zijn. Naar hen luistert hij niet; zijn interne criticus wint elke discussie.

Hij is ook aan het sporten. Loopt een paar keer per week hard en geniet ervan. Hij gaat er helemaal voor. Voelt zich heerlijk na een afmattende training. Herkent het geluksgevoel uit zijn eerste carrière en raakt eraan verslaafd. Wat zijn werk hem nog niet kan brengen vindt hij in het hardlopen. Hij heeft er vrede mee. Zijn leven wint immers aan kwaliteit.

Af en toe neemt hij deel aan een hardloopwedstrijd. Het ontspannen karakter van een training wordt hier als vanzelf vervangen door de drang om anderen eens even te laten zien hoe goed hij (nog) is. De oude prestatiemeetlat wordt weer uit de kast gehaald en de loopwedstrijden eindigen in mooie eindtijden…………… maar ook met een gevoel van; ‘het had beter gekund of, weer geen PR of, de tijd was goed maar het gevoel slecht.” Altijd excuses, maar weinig genieten.

Na jaren is hij tot inzicht gekomen. Je moet jezelf niet positioneren voor falen, maar voor succes. Uit succes is meer bevrediging te halen dan uit falen. Als je aspiraties naar beneden bijstelt wordt de kans groter dat je slaagt. Als je helemaal geen aspiraties of verwachtingen hebt, dan is het resultaat altijd positief. Hij begint zijn werk als spreker en het lopen van wedstrijden nu weer leuk te vinden. Hij geniet van de ervaringen onderweg en……….. zijn prestaties zijn beter dan ooit. Hij houdt nu van zichzelf, zoals anderen al lang van hem hielden.

woensdag 17 maart 2010

60 van Texel


Het zal ergens in november 2008 geweest zijn. Op een vrijdagavond. Het was laat – na twaalven – en ik had een fles wijn op. Prima moment op aan sport te denken. Eerder die maand had ik de marathon van Terschelling gelopen en onderweg van dat eiland genoten. Ik werd kort daarna bewust gemaakt van een ander eiland, Texel. “Daar rennen ze ook en wel om de twee jaar; op tweede Paasdag 60 kilometer rond het eiland”, werd mij verteld. Intuïtief zoek ik die avond de website van de Zestig van Texel om daar de uitnodigende mededeling aan te treffen dat zojuist, om 00.00 uur, de inschrijving voor deze loop was geopend. Gevoed door het laatste beetje Terschellingse adrenaline en Italiaanse wijn klik ik op ‘inschrijven’ en begin het formulier in te vullen. Bij de knop ‘bevestigen’ aarzel ik een fractie van een seconde, maar laat dan mijn wijsvinger gedecideerd neerdalen op de linker muisknop. Ik ga in april 60 kilometer lopen.

Boven, in de hal tussen slaapkamer en badkamer, vertel ik Carina van mijn beslissing. “Ik heb zojuist iets heel geks gedaan” Ik neem een kleine pauze om haar eerste reactie in te schatten en de actie goed te vertellen. “Ik heb me ingeschreven voor de 60 van Texel.” Aangezien ze geen enkele vooraankondiging had ontvangen is de verbazing groot. Het wijnniveau in mijn peilglaasje is hoog en ze ziet wijselijk van verdere discussie af. Ik ook, want het is al laat en mijn voorbereiding is zojuist gestart. De volgende dag zoek ik op het internet naar een parcourskaartje, maar kan dat niet vinden. “Het is maar 18 kilometer meer dan een marathon,” denk ik; “dat moet wel lukken met een beetje extra training”. Later hoor ik en zie ik ook op nieuwe site van de Zestig van Texel – enigszins tot mijn schrik - dat het parcours eerst 35 strand- en duinkilometers telt en daarna nog 25 kilometer oneindige waddendijken en boerenweggetjes. “De laatste 25 kilometers zijn, ondanks verhard en vlak, het zwaarst. Komt geen eind aan. Oersaai!” zo wordt mij verteld.

Na de marathons van Amsterdam en Terschelling loop ik een aantal halve en twee hele marathons als voorbereiding in de wintermaanden. En heel veel duurloopkilometers in de weekeinden. Tijdens de Februariloop in Bennekom heb ik de omstandigheden van Texel geprobeerd te benaderen. Eerst de wedstrijd over 20 kilometer (waarvan 12 km al crossend door het bos) in wedstrijdtempo. Direct daarna droog shirtje aan en over de weg de 13 kilometer rustig naar huis gelopen. Lange, saaie wegen door het Binnenveld. Mentaal behoorlijk pittig. Ik was er blij om weer thuis te zijn.

De dag zelf. Tweede Pasdag. Schitterend weer. Zonnig en bij de start een graad of 10. Bij aankomst op de startlocatie zie ik Jeffry zojuist zijn keerpunt maken. Hij had de eerste 60 km erop zitten en mocht zich verheugen op de tweede helft van zijn race over 120 kilometer. Hij zag er nog fris uit. “Succes straks!” roept hij me toe, “het strand is mul en zwaar”. Iets om naar uit te kijken dus. Bij het insmeren van tepels, benen en huidplooien met vaseline komt ook Eite het kleedgedeelte binnen lopen. Voortbordurend op ons treffen een dag eerder wisselen we nog wat strijdplannen met elkaar uit. Over het rustig starten bereiken we consensus; om hem vervolgens na het startschot er vandoor te zien gaan.

Het eerste gedeelte van het parcours loopt van de veerboot langs de Mokbaai naar de De Hors, een grote zandplaat aan de zuidkant van het eiland. Een waar maanlandschap van mul zand, waar het ploegen is voor de hardloper die dan nog zo’n 55 kilometer voor zich heeft. Na 8 kilometer bereik ik de vloedlijn, die zijn eerste aanstalten maakt om naar status eb te gaan veranderen. Het wordt iets makkelijk, maar kilometer 12 ben ik toch blij als ik weer asfalt onder mijn voeten heb. Inmiddels heb ik me aangesloten bij twee andere lopers en denderen we gezamenlijk in een lekker tempo richting finish die nog ver weg lijkt. Na zes harde vlakke kilometers door het bos mogen we weer het strand op waar de eb inmiddels een mooie vlakke harde zandlaag heeft achtergelaten. Wind in het gezicht verder in noordelijke richting. Al snel krijg ik de contouren van Eite in zicht. De trojka waarin ik loop zet de achtervolging in en ik ben blij als ik Eite bij kilometer 26 kan vragen hoe het hem vergaat. Echt wachten op zijn antwoord deed ik niet. Mijn twee kompanen hielden hun tempo vast en ik wilde mee. Richting vuurtoren. Nog 7 kilometer door duinen met vervelende klimmetjes (na 30 km is alles vervelend) in noordelijke richting en dan langs de oostkant het eiland weer naar beneden lopen.

Even was ik mijn loopmaatjes kwijt. Iets meer tijd doorgebracht bij een drankpost. Veel cola drinken en sportdrank en water; en bananen eten. Alles wat je maar binnen kunt krijgen. Maar bij het opgaan van de waddendijk had ik er een weer te pakken. De gezelligste prater van de twee, dus dat kwam goed uit. Hij zorgde voor veel afleiding op de langste kilometers van de loop. Eindeloze dijken en polderwegen langs wad, gras en vooral veel schapen. Soms ging ik wel even een 10 meter achter hem lopen. Dan werd zijn geklets me teveel. Warm werd het ook. Zon vol in het gezicht en een klein windje in de rug.

Ik passeer een lullig klein bordje in de berm. Blijkt het marathonpunt te zijn. Even op mijn klokje kijken. 03:40 uur. “Niet slecht,” denk ik. Het werd zwaarder en zwaarder. Oosterend en Oudeschild worden gepasseerd. De kilometer aanduiding gaat ineens van om de 5 naar naar om de 1 kilometer. De laatste 5 kilometer zijn aangebroken. Jammer dat die over De Hooge Berg gaan. De enige heuvel op Texel. Met 55zware kilometers in de benen is klimmen een hele opgave. Uiteindelijk hoor ik de speaker bij de finish en begin me echt te verheugen op het einde. Carina en Max weer zien. Mijn schoenen uit. Ze wachten me op en ook Jeffry staat aan de finish. Niet lang daarvoor heeft hij zijn 120 kilometer afgerond.

Ik finish tevreden en met een brede glimlach na 5 uur en 20 minuten. Mijn poten doen ineens enorm zeer. Ik ga liggen in de berm tussen andere lopers die zich even uitgeput voelen als ik. Max haalt een kop warme soep. I did it!

Call of the wild

Niet verder vertellen maar vanuit Rhenen start elk jaar in februari een marathon over de glooiende bospaden van de Utrechtse Heuvelrug. Weinigen weten ervan en dat houden ze, een geheim genootschap van organisatoren, graag zo…….. omdat het een ‘wilde’ marathon is; gedoogd door de bosgoden en -eigenaren en gehuld in vochtige mistige geheimzinnigheid voor het grote publiek. Omdat ik een neus heb voor wild heb ik er lucht van gekregen. En dat is nu twee jaar geleden. Omdat ik dat ‘wilde’ echt wilde heb ik nu twee keer meegedaan.

Hoe ziet zo’n dag eruit? Koffie om mee te beginnen en soep om mee af te sluiten; en tussendoor ruim 4 uur onder begeleiding in een groep door het bos op en neer hollen. Meer is het niet. Maar dat zou de organisatoren enorm te kort doen; op vele manieren is het zoveel meer dan een ‘tamme’ marathon. De marathon – voor de leken een loop over 42,195 kilometer – is een ontzag inboezemende uitdaging, maar dat ‘wilde’ ervoor maakt het helemaal spannend. Want waar staat dat ‘wilde’ eigenlijk voor?

Betekent het dat je tenminste een halve wilde moet zijn voor je aan deze marathon kunt meedoen? In mijn geval zou dat zeker kunnen kloppen. Niets is leuker dan het rennen als een wild spel te beschouwen en je, al rauzend, door het bos te bewegen. Veel tempowisselingen; sprintjes bergop enzovoorts. In je hoofd zingen the Trogs; “Wild thing….. you make my heart sing……. You make everything….. groovy……wild thing” en je schakelt nog een tandje bij. Maar op die manier hou je het geen dikke 42 kilometer vol. “Wilde” moet ook nog een andere betekenis hebben.

Sean Penn’s briljante film ‘Into the Wild’ vertelt het verhaal van Alexander Supertramp een begenadigd student, die na zijn studie afscheid neemt van het systeem van materialisme en van de gekte van prestatiedrang. Hij stort al zijn geld op de rekening van een hulporganisatie en trekt op de bonnefooi de wereld in. Met uiteindelijk het doel om verlaten van iedereen een tijd in de wildernis van Alaska door te brengen. Wil deze wilde marathon bij zijn deelnemers het gevoel van Alexander Supertramp losmaken…… het gevoel van volledig op jezelf en de natuur aangewezen zijn? Het zou zo maar kunnen. En het komt ook heel dichtbij. Maar de andere lopers en verzorgingsposten verstoren het beeld en de beleving. Er moet meer achter het woord ‘wilde’ schuilen.

Sinds het programma ‘So you think you can dance’ ben ik een groot fan van hip hop dansen. Om naar te kijken weliswaar. Mijn achtenveertigjarige atletische vermogen is beperkt tot het ene been voor het andere zetten. Complexer moet het niet worden. Hip hop dansen is wild en veelzijdig, maar vraagt om een enorme lichaamsbeheersing. Goed uitgevoerd is het een dynamisch en esthetisch genot om naar te kijken. Het doet me verlangen naar de dingen van het leven nog een keer over te mogen doen, maar dan in deze tijd. Dan was ik zeker en vast danser geworden. Dus wild is esthetisch. De wilde marathon ook. Het is schoonheid én kunst tegelijk. De verrassende schoonheid van de natuur zo dicht bij huis en de kunst van het lopend één worden met je omgeving.

“Wild” is hier ook een fantoomverschijnsel. Je ervaart het wel, maar het is er eigenlijk niet. Het karakter van de loop is; een aantal mensen die samen op een zaterdagmorgen een duurloop doen. Niks georganiseerde marathon, want dat zou meteen verboden worden. Tenzij je aan allerlei typische Nederlandse regeltjes wil voldoen. Maar dat haalt meteen de charme uit het hele gebeuren.
Een wilde marathon zorgt voor spelen en rauzen als een kind; voor loskomen van alles wat moet; voor schoonheid en kunst en voor mystieke ervaringen. Volgend jaar kies ik weer voor deze spirituele tour de force.

Nieuwsgierig naar hoe die marathon heet? Ik mag niets vertellen anders wordt ik uit het geheime genootschap verstoten, maar de naam is ………….denk aan hoog boven anderen verheven, met je voeten los van de vloer een korte verstikkende laatste ervaring opdoen.

Viewmaster


Thomas doet een cursus en leert dat je succes eerst moet visualiseren om het vervolgens te krijgen. Je moet jezelf al als winnaar zien finishen zonder de startstreep gepasseerd te hebben. De vlucht van de bal naar de kruising van het doel al zien net voordat je hem een trap geeft. De positieve uitkomst van een moeilijk gesprek al tot stand zien komen zonder nog een woord gewisseld te hebben. Thomas leert dat je moet handelen vanuit een visie, want visie zonder actie is een dagdroom. Hij heeft ook geleerd dat actie zonder visie een nachtmerrie is. Thomas worstelt met het omzetten van visie naar actie. Visie heeft hij, ziet alles in plaatjes en vindt dat voldoende. Een dagdromer. Hij is te vaak getuige geweest van de grote tragedie van wetenschap; het afslachten van een prachtige hypothese door een lelijk feit. Wie is Thomas?

Thomas is een veertiger. Hij is een master. Nee, niet de master tijdens een jachtpartij met een groep honden. Thomas is netjes getrouwd; heeft het jagen reeds jaren geleden moeten opgeven en heeft een hekel aan geblaf. Hij is ook geen master in de zin van master and servant. Thomas werkt in de dienstverlening en masters komen daar niet uit de verf. Dienaren wel. Wat voor een master dan wel? Thomas is een viewmaster. Een camera obscura van deze tijd. Maar minder obscuur. Thomas ziet voortdurend plaatjes aan zich voorbij trekken. Schuif en klik….. zijn (harde) schijfje draait en het volgende plaatje verschijnt. Thomas is, zo weet hij sinds die recente cursus, visueel ingesteld en kan dat ook nog aardig onder woorden brengen. Thomas kan met woorden een leuk plaatje schilderen.

In zijn zoektocht naar balans in zijn leven heeft veertiger Thomas ooit besloten te gaan hardlopen. In de eerste plaats voor de rust. Even weg van werk en familie. Wat tijd om alleen te zijn met zichzelf. Thomas heeft lang geleden ook ontdekt, dat hij erg gevoelig is voor de prikkels uit zijn omgeving. Scherpe zintuigen geven hem voortdurend signalen. Veel drukte vermoeit hem dan ook en het beeld van een eenzame loper in een groot stil bos was heel verleidelijk. Wat hij niet kon bevroeden was, dat lopen veel ruimte in zijn hoofd maakt voor de leukste, mooiste en meest absurde plaatjes. Wel alleen lopen, maar plezier voor twee.

Ik leer Thomas kennen op een zonnige lenteavond in mei. We praten eerst voorzichtig over van alles en nog wat. Het klikt en, als gezegd, Thomas kan met woorden mooie plaatjes schilderen. Zon en wijn plaatsen Thomas op zijn praatstoel en hij geeft me wat inzicht in zijn persoonlijkheid. Ik wil natuurlijk meer weten over vooral die absurde plaatjes in zijn hoofd en Thomas projecteert zijn prenten met een opsomming van kleurrijke anekdotes.

“Hardlopen doe ik weliswaar graag alleen, maar ik loop ook regelmatig met een groep. Mannen en vrouwen in alle soorten en maten. Ieder zijn eigen persoonlijkheid, doelstellingen en achtergrond. Leuke lui die lopers. Je praat onderweg wat met elkaar en zo leer je de ander een beetje kennen. Ik heb altijd moeite om mijn concentratie bij een 1-op-1 gesprek te houden. Andere stimuli verdringen de specifieke aandacht die ik aan de loper naast mij geef. Geluiden, gebeurtenissen en gesprekken van anderen. Mijn antennes vangen alles op. Een brei van gegevens waar ik wat mee moet en die zich tot beelden vervormen.”

Thomas neemt nog een slok en vervolgt zijn verhaal.

“Laatst tijdens een intervaltraining. Vierhonderdjes in het bos. Op de vlucht voor de vervloekte piraten. Ze doden kan niet meer. Alleen wegrennen. Ze zijn al dood. Verworden tot zombies. Levende skeletten met hier en daar wat vel. In grote getale zitten ze achter mij aan. Getrokken zwaarden en de een ziet er nog enger uit dan de andere. Naast hun gehuil en gehijg hoor ik een ritmische ‘knak’ naast me. Ik kijk naast me en zie de knokige vleesloze knie van een piraat. Een volledig versleten verbinding tussen dijbeen en een stuk hout. Zijn rennen doet wat eens zijn knie was knakken. Ik zet aan om het gedrocht voor te blijven……. en sluit deze interval af in 1.30 minuut. Te snel, maar wel begrijpelijk. Licht hijgend hoor ik een van de lopers vertellen over de onverklaarbare knak die uit zijn knie komt. Verschrikt kijk ik op. Verwacht een zombie als in een bloedstollende scène uit Pirates of the Caribean., maar zie gelukkig een gewone vent uit de Betuwe met iets te veel grijs haar voor zijn leeftijd. Nog even doorademen en weer vierhonderd meter op de vlucht voor…………?”

Ik lach en hij neemt weer een slok.

“Zaterdagochtend tijdens een duurloop met de groep. Gelijk de zweep van een slavendrijver op een galjoen vol geboeide roeiers, of van een dompteur die probeert zijn tijgers er onder te houden. Zo ‘knalt’ haar stem een persoonlijke wens. In voel me geboeid en geboeid kijk ik om. Leren Nike Zoom Air lieslaarzen, daarboven louter latex. Alles zwart. Ik loop voorop en heb initiatief genomen zonder haar toestemming. Een ferme berisping is mijn deel. Ik moet me omdraaien en de domina dwingt me te luisteren. Anderhalf uur is anderhalf uur. Als in Histoire d’ O volg ik haar aangelijnd. De halsband knellend om mijn keel………… ‘Gaat het goed met je?’ vraagt een vriendelijke stem naast me. ‘Je kijkt zo benauwd.’ Had je maar niet als een gek die heuvel op moeten rennen. Ik kon je nog net waarschuwen, dat de groep halverwege de heuvel linksaf was geslagen. Ik kijk in de vriendelijke ogen van O, die in werkelijkheid heel anders heet en erg aardig en vredelievend is. Mijn benauwdheid is over. Nog een paar heuveltjes over en we zijn weer thuis.”

Hij vertelt verder, maar ik ben in gedachten nog bij O.

“Ik loop naast – gelukkig niet achter – een vent met oorringen. De jungle is nauwelijks doordringbaar en samen zijn we op zoek naar Bonobo’s. Een zeldzame apensoort. Ace Ventura, pet detective, is slechts gewapend met zijn camera. Fiercy creatures springen uit de bomen en houden ons staande. Ace trekt zijn onafscheidelijke bidonnetje uit de houder op zijn rug en begint te spuiten. ‘We moeten die dieren verdrijven met alle mogelijke middelen’, schreeuwt de mond in zijn gummi gezicht. Hij begint op zijn buik te slaan. Ik denk dat hij de Fiercy Creatures wil imponeren met zijn gorilla gedrag, maar niets is minder waar. Ace draait de beesten zijn rug toe en buigt voorover. ‘Knetter, knetter, knetter zo klink zijn monotone, flatulente donderspeech. ‘Als water niet helpt, dan lucht misschien’. De beesten nemen afstand en ik ook……… ‘Ik had vanavond twee kindertjes op bezoek en ze aten mee. Ik moest dus het goede voorbeeld geven en heb ook wat gegeten. Nu heb ik last van lucht’ zegt Ace, die eigenlijk een andere Engelstalige naam draagt. ‘Jij last van lucht? Ik zal je bedoelen. Van jouw lucht’ Ik zet aan en hij laat zich terugzakken. Nog meer geknetter en dan keert de rust terug. De vent met oorbellen komt weer bij de groep en gaat op kop lopen. Hij zou het nog uren vol kunnen houden. Hij loopt op gas. Mijn tank is snel leeg.”

De overgang van O naar Ace was ontnuchterend en we schenken beide ons glas nog eens vol.

“Weet je wat na knakken, knallen en knetteren komt? Kwietschen. Laatst werd ik er gek van. Voortdurend en in de maat van onze passen een kwietschend geluid. Alsof er twee dingen langs of over elkaar bewegen en wrijving veroorzaken. Het geluid maakt me gek en een gevoel van paranoia maakt zich van mij meester. Ik voel met voortdurend achtervolgt en het lijkt alsof ik de enige ben die het geluid hoort.

“En nog één ding past in het rijtje van de K’s. Klagen. Daar heb ik geen beelden bij, maar vind wel dat lopers daarmee op moeten houden. Te zwaar, te hard, te lang, te langzaam, te steil, te hobbelig, te mul, nog een keer die trap?, enz. Geniet van het lopen. Je doet het voor je plezier. Doe een beetje je best en klaag niet.”

Thomas staat op en vertrekt. ‘Thuis lekker op de bank een film kijken, Marc!’

Van uitstel komt.........

Ik berichte u in de vorige editie van ons clubblad over mijn Amsterdamse optimale staat van opwinding. Nu, na nader verhit onderzoek en voortschrijdend inzicht, moet ik daar een aantal kanttekeningen bij plaatsen. Je kan op basis van een eerdere ervaring ontzettend veel zin hebben, maar in een ander decor en context is het toch lastig om dat zelfde unieke gevoel te herbeleven. Verwachting is niet altijd gelijk aan werkelijkheid.
“Als het te heet wordt moet je het hoogtepunt uitstellen. Voor je uit schuiven.” Het zou me te heet worden in Rotterdam met de kans op een voortijdig einde en vervelende gevolgen. Ik wil mijn volgende hoogtepunt voor mij uitschuiven. Een hele week. Tot in Enschede. De marathon aldaar.
Dat uitstellen dat doe je niet zomaar. Dat zal menigeen, vooral de mannen onder ons, kunnen bevestigen. Het werd dan ook een roerige zaterdagavond voorafgaand de marathon van Rotterdam. Interne worstelingen tussen de emotie en de ratio. In goed gesprek met mijn vrouw en nog meer met mijzelf. Heen en weer gesmeten tussen welles en nietes. Ik wil zo graag, maar het is niet goed. Het wordt een anticlimax. Zelfs extern advies werd gezocht om soelaas te brengen.
Toen ineens………….synchroniciteit. Twee ogenschijnlijk losstaande verschijnselen blijken toch een verband met elkaar te hebben. Ik pak verveeld en met mijn aandacht nog bij de uitstelbeslissing zo’n glossy wellness magazine van mijn vrouw. Begin, geheel conform mijn gewoonte, van achteren naar voren te lezen en zie aan het eind van een artikel volgende samenvatting staan.
“Tantrisch hardlopen geeft je zelfcontrole en biedt lichamelijke voordelen: het stimuleert de bloedcirculatie; verbrandt calorieën; reinigt doordat je giftige stoffen uitzweet; vergroot het uithoudingsvermogen; vergroot het vermogen om hardlopen langer te laten duren. Je zult langer kunnen toewerken naar een hoogtepunt en een geheel nieuw plezier halen uit het proces”.
Tsjakkaaa! Ik ben overtuigd. Het gretige gevoel om in Rotterdam te pieken wordt een week op ijs gezet om vervolgens in Enschede op volle temperatuur gebracht te worden. Maar…..dat op ijs zetten van een gretig gevoel is nog niet zo makkelijk. In het begin werd die actie vooral gehinderd door het dierlijke instinct te moeten presteren. Niet straks, maar nu. Carpe diem. Seize the moment! Stel dat het allemaal wel meevalt in Rotterdam en je als een slapjanus wordt uitgehoond door hen die wel piekten in de Maasstad. Mijn mannelijk trots blijvend beschadigd. Angstig gevoel.
Ik zet mijn beslissing door en breng de temperatuur geleidelijk terug naar een veilig bereik. Ga naar bed en sluit mijn ogen. Gedurende de nacht ebt de onrust weg. Ik kan uitslapen en kruip verfrommelt en versuft op zondagochtend voor de televisie. “Hoe is de situatie in Rotterdam?” Even nog wordt ik onzeker. Wat een mensen aan de start. Het lijkt of ik de enige ben die tot vroegtijdige marathonus interruptus besloten heeft. Een uur na de start in Rotterdam heb ik al mijn antwoorden. Ik heb de juiste beslissing genomen. Rotterdam had mij geen hoogtepunt kunnen brengen. Na een koude douche – het gretig gevoel ligt immers op ijs - ga ik in de tuin zitten om van de volle zon te genieten. IJskoude rosé en olijven van Smits binnen handbereik. “Het lijkt wel of je een marathon hebt gelopen,” zeggen mijn kinderen als ik aan het eind van de middag besluit om naar binnen te gaan. “Je hebt een hartstikke rooie kop, bent bezweet en staat te wankelen op je benen.”Nee, jongens dat heeft pappa wijselijk besloten pas volgende week te gaan doen,” antwoord ik net voor ik op de bank in een zon & alcohol slaap val.
De horror verhalen over ‘te heet’ Rotterdam beheersen de media enkele dagen en mijn week kabbelt voort. Ik rommel voortdurend aan mijn thermostaat om mijn gretigheid op peil, maar in toom te houden. Geleidelijk aan begin ik toch te balen van dit tantrische gedoe. Het mag overal goed voor zijn, maar een week uitstel draagt niet bij tot de feestvreugde. Ik heb nog wel zin, maar wil ook dat het al voorbij is. Inmiddels beginnen de weermensen op tv al weer over een nieuw warm weekeinde te speculeren. Het zal in Enschede ook warm worden.
Ik sta in het startvak en begin in een hele leuke sfeer aan een warme – in temperatuur en aandacht van het geweldige publiek - marathon. Wel gretig, maar niet met dat René Froger gevoel van “This is the moment!” Een prachtige dag. Ik kies ervoor om bij een pacer te blijven met 03:15 op zijn rug en dender in een grote groep de stad uit en Duitsland in. Lekker tempo, maar ik neem steeds iets te lang om te drinken bij de drankposten. Uiteindelijk is het gaatje tussen mij en de 03:15 groep te groot om weer eens te dichten. Tantrisch hardlopen vergroot de zelfcontrole en ik besluit na 18 kilometer alleen verder te gaan. Ik wil, zoals ik me had voorgenomen na het lezen van het artikel “een geheel nieuw plezier halen uit het proces”.
Dat valt bitter tegen. Niks lopen in ‘the zone’ met hartslag 145. Niks goedlachse dames die het juiste weten te zeggen om mij geheel nieuw plezier te bezorgen. Een vent, lelijk als de nacht, met een grote hamer. Die kom ik tegen. Precies bij 32 kilometer staat hij. Hij raakt me vol op de borst. Ik verslap meteen. De vaart eruit. De opwinding weg. Ik denk aan een voortijdig einde zonder het hoogtepunt en de bevrijdende oerkreet aan de finish. Futloos beweeg ik me stapvoets richting de 33 kilometer. Het voelt als een eeuwigheid, maar dan besluit ik, dat van het uitstel niet alsnog afstel komt. Met een juiste ‘push on the right button’ richt ik mij weer op en maak een herstart. Niet zo sprankelend meer, maar het gaat. Druipnat van alle bekers water en sponzen schroef ik mijn tempo weer op. Vanaf 36 kilometer helpt mijn eigen Twentse trainer Gerard, die ik een jaar lang gemist heb, maar er nu voor me is. Ik niet aardig en spraakzaam. Hij gelukkig wel. Hij heeft een fiets en water bij zich.
Na een dikke 42 kilometer in een heerlijk zonnetje ga ik oververhit over de finish. Pak de verkeerde medaille (van de ½ marathon) en giet nog maar weer eens wat water over mijn hoofd. Het was niet het hoogtepunt dat ik voor ogen had, maar ik heb onderweg dingen ontdekt waar ik wat aan heb. Toch de juiste beslissing genomen tot uitstel, maar dat tantrisch hardlopen is niks. Volgende keer gewoon weer knallen als ik wil knallen. Twee pimpelpaarse grootteteennagels sieren nog steeds mijn voeten en ik denk alweer aan een volgende marathon.

Totaalplaatje

Bekende Nederlanders uit de media, politiek, wetenschap of sport. Er zit er vast wel één tussen waar spontaan je nekharen van overeind gaan staan. Een persoon wiens gezicht, motoriek en gekweel tot pukkels en andere vormen van irritatie leiden. Wie vindt jij de allerergste?

Het is zaterdagochtend; een uur of kwart over tien. Ik kam mijn haar wat naar mijn voorhoofd en zet mijn ronde brilletje en zwarte kegelhoed op. Met een puntig toverstokje wacht ik op de thuiskomst van mijn zoon Niels. Ik doe aan method acting en word Harry. Tussentijds mijmer ik over het schijnbaar groeiende aantal honden in de gemeente en over de plakkende aantrekkingskracht op running schoenen van hun, meestal bruine, restanten na een boswandelingetje. Niels is lid van de Arena jeugd en traint zaterdagochtend met zijn vrienden in het bos.

Gevraagd naar wat er allemaal leuk is aan de atletiektrainingen en wedstrijden krijg ik steevast een antwoord dat meer dan alleen het bedrijven van sport beschrijft. Het is ook de interactie onderling. Voor en na de trainingen, tijdens de rustpauzes, op de achterbank op weg naar ‘de baan’ in Ede. Grappen zonder clou en einde. Gesprekken over games, de nieuwste films, YouTube en dergelijke waar voor mijn generatie geen touw aan vast te knopen is. Als vader wil ik echter geen totale buitenstaander zijn. Ik wil onderdeel zijn van het sportieve totaalplaatje van mijn zoon. Om hem te plezieren wordt ik Harry Potter en wacht op hem.

Hij wiens naam niet genoemd mag worden komt met een rood hoofd en een penetrante geur door de poort de tuin in. Met afgrijzen richt ik mijn toverstaf op. Heb ik deze keer verweer tegen de zoveelste afstraffing na zijn zaterdagtraining? “Schoenen uit!”, schreeuw ik in het Latijn. De toverspreuk werkt. Hij, wiens naam niet genoemd mag worden, trekt ze uit en schopt ze van zich af. Ik kan ze gelukkig nog net ontwijken. “Okay pa. Het was leuk, maar nu heb ik genoeg van het spelletje. En eeehhh…. ik heb geloof ik in de poep getrapt. Mag ik wat drinken?” Ik word weer Marc en blijf, niet verbaasd, met de schoenen achter; het puntje van de toverstaf gebruikend om de riekende plakkende massa uit het profiel te frummelen. Ik ga ver in mijn vaderschap. Volgende week ben ik Homer Simpson en wacht ik op Bart. Of Katrien die wacht op Donald?

Wie is die allerergste BN’er? Welk gedragingen en eigenschappen zijn in deze persoon verenigd die bij jou deze allergie veroorzaken? Schrijf ze eens op als je durft!

Naast de liefde en waardering van mijn zoon wil ik aan de method acting momenten op de zaterdagochtend nog wat mentale bagage overhouden. Ik ga nadenken. Het analyseren van de motivatie en emoties van Harry Potter, Katrien Duck of Homer Simpson om, met psychologisch realisme en emotionele authenticiteit, de karakters te worden zal nog wel gaan lukken. Het repliceren van ‘real life’ emotionele condities waaraan het karakter is blootgesteld wordt al weer wat moeilijker. Oef!

Onderdeel zijn van het totaalplaatje van mijn zoon roept bij mij ineens verdere vragen op. Hoe goed kennen we iemand anders eigenlijk? Echt kennen! Niet alleen wat je ziet. Maar onder de waterlijn; de rest van de ijsberg. De ander goed leren kennen en begrijpen veronderstelt bovenal een behoorlijke dosis zelfkennis. Hoe goed ken ik mijzelf? Afduiken in het koude zwarte water en de grilligheid van je eigen ijsberg ontdekken. Brrrrrrr……. Kan hardlopen daarbij helpen?





Onder water sowieso niet en daarboven wordt het ook al heel lastig. Maar tijdens een gezamenlijke training of duurloop worden bij deze en gene de zon en schaduwzijde van het topje van hun ijsberg wel eens zichtbaar. Je vangt wel eens wat op tijdens het lopen. Dingen die je een troebele blik onder de waterlijn van de ander verschaffen. Opschepperij over hoe los zijn heupen zitten sinds hij door een vrouwelijke fysiotherapeute aan zijn kuiten wordt behandeld. A steal-of-a-deal vliegreis die in de praktijk vleugellam blijkt en tot de bestemming – en die hele lange weg weer terug naar huis - laag bij de grond blijft. Met moeite en trots overgezette padden die onder haar hardloopschoenzolen alsnog tot verwrongen kadavers worden. Loper met een antibioticagebruik van 1:10 die het met de broek op de knieën het ecosysteem in het bos langdurig ontregelt. Een dame wiens trainingsavond pas goed is als ze een zo’n leuk reetje heeft gezien. Een senior heer die met grappen over Lego, koken zonder pannen en ten koste van zowat elke andere loper jaren van zijn leeftijd wil maskeren. Een vent die vaak zegt dat hij het rustig aan gaat doen die avond, maar het nooit doet. Of zich simpel door de ander laat verleiden zijn rustige pas om te zetten in een tempo waarbij allen slechts zijn zolen zien. Die laatste vent ben ik! En daarmee laat ik een stukje van mijn schaduw zien. Wat is jouw schaduw?

Lees de naam van de BN’er hardop en kijk de eigenschappen die je achter zijn/haar naam hebt geschreven. Meet your shadow!

Terschelling Tango; dansen door de duinen


Het is vroeg en we hebben een boot te halen. Vandaag is de dag. De dag waar we ons al maanden op voorbereiden. We zijn in Franeker en hebben goed geslapen. De avond ervoor bij een hele slechte smakeloze Italiaan koolhydraten geladen. Eten kan je het niet noemen. De ontbijtzaal is leeg en buiten is het nog donker. Dikke, grauwe mist hangt boven het kanaal waarop we uitzicht hebben. De wereld voelt klein en enigszins beklemmend. Proberen zoveel mogelijk suikerbrood te eten is het devies. Brandstof voor later.

Buiten is het koud. Sporttassen worden in de auto geslingerd. In een kleine witte wereld oriëntatieloos naar de boot in Harlingen. Het grote parkeerterrein treffen we vol aan. Andere lopers zien we op het fietspad uit de mist opdagen. Stukje verder nog wacht een weiland omgedoopt tot parkeerterrein. De auto wordt geparkeerd als olifantjes lopen we kop aan kont door de vochtige kou. Rederij Doeksen heeft de kachel opgepookt en het is warm aan boord. Alle laagjes kleding uit en neerstrijken tussen de zwerm lopers die op deze boot is neergestreken. Het ruikt nu al naar zweet.

Tergend traag lijkt de boot zich door de dichte mist voort te bewegen. We begroeten bekenden. Alle op weg naar de halve en hele Berenloop. Bij het doorspitten van zijn rugzak worden de restanten van de 2008 marathon van Berlijn gevonden. Doping waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang verstreken is. Het lachen is nerveus evenals alle luidruchtige verhalen van lopers om ons heen. Het verlangen om ons te bevrijden van de drukte en warmte wordt met elke zeemijl groter. Het eiland komt pas in zicht als we afmeren.

Eindelijk de vaste grond onder onze voeten waar we straks 42 lange kilometers op gaan afleggen. Koers is naar de Brandaris en de kleedruimten. ‘Wat trekken we aan?’ is de centrale vraag. Gaat de zon straks nog schijnen. Wordt het warm onderweg op deze winstille dag. Wij kiezen voor de tussenoplossing. De broek niet kort of lang, maar driekwart. Kuiten bloot; de rest warm opgeborgen. Blauwe startnummers geven ons toegang tot het voorste startvak. We gaan achterin staan en maken ons bewust van wat er komen gaat. De wedstrijdstrategie wordt nog eens doorgenomen. Drie uur en vijftig minuten is een hele mooie streeftijd op een uitdagend parcours. We zullen niet van elkaars zijde wijken. De scheephoorn loeit. We zijn op weg naar ons doel.

Alle gezamenlijke training in het marathontempo betalen uit. Al snel voelt het tempo en ritme tussen ons beide heel vertrouwd. Kilometerbordjes passeren als liggen er niet heel veel stappen tussen. We zweven als over een dansvloer. Hier is geen sprake van een haas en een windhond. We zijn één op een manier waarop het lijkt alsof een derde entiteit ons voortstuwt. Nergens onderweg raken we elkaar aan. Toch zijn we vast verbonden. De energie komt uit één tank en voedt ons beider lijven. We snellen voort met alleen het beeld van de paar lopers voor ons. Het landschap blijft voor ons verborgen in de mist.

Alle snelgestarte vrouwen die ons in het begin passeerden zijn van het label voorzien ‘pakken we later wel weer terug’. Ze zijn de wortel aan de stok op de tweede zware helft van deze marathon. Een voor een laten we ze onze ruggen zien. Om vervolgens in de mist uit hun zicht te verdwijnen. De mist boven het strand is als een dikke wattendeken. Je moet er met een kapmes een weg door banen De zee is volledig onzichtbaar en onhoorbaar. We zouden overal op de wereld kunnen zijn. Als schapen volgen we de anderen voor ons. In de hoop zo via de kortst mogelijke weg weer van het stand af te kunnen. Dit stuk valt behoorlijk tegen. Boven aan de Longway terug naar de Brandaris staat de ondergrond onze dans weer toe. We halen diep adem. Met Argentijnse arrogantie en verbetenheid gaan we op jacht. Andere vrouwen en bekenden oprollen.

De laatste zeven kilometer is ons tempo hoger als tevoren. De rode blote benen en wapperende haren van onze reisgenoot komen in zicht. De man heeft het koud en moeilijk. Bij het passeren kunnen we hem slechts sterkte wensen. We zouden veel meer voor hem willen doen, maar we hebben onze eigen missie. De wortel blijft voor ons bungelen en vele mannen en vrouwen worden ingehaald. Ietwat gebogen komt een bekende Veenendaalse kilometervreter in zicht. Hij en wij zijn aangenaam verbaasd dat we bij elkaar kunnen aansluiten. Ik moet een derde in onze liefdevolle versmelting toelaten. Gesandwiched loopt het stralende middelpunt in een hoog tempo over de rode loper naar haar beste tijd ooit op een marathon. Wij buigen ons hoofd diep. Terwijl twee andere sterke kerels haar oppakken en wegdragen. Als de brandweer naar de brandweer waar een fysiotherapeut een intens pijnlijke kuitkramp laat verdwijnen. Nu zijn we klaar voor het shirt, de medaille en koppen vol bouillon en soep. We lachen en zijn blij.



Als je getrouwd bent en de veertig gepasseerd zijn momenten waarop je uren met elkaar kunt dansen een zeldzaamheid. Je droomt er wel eens van. Heerlijk zoals het vroeger was. Kun je samen dansen, dan kan je ook samen een marathon lopen. We hebben in voorbereiding regelmatig als danspartners samen gelopen en de pasjes geoefend. De Berenloop heeft ons een dansfeest van drie uur en zevenenveertig minuten gebracht. We hebben van elkaar genoten op de dansvloer die Terschelling heet. Het eerste goede voornemen voor het nieuwe jaar is al weer geformuleerd. Dansen!

Verknipt!

Gestoord. Waarom is Paul de Leeuw er na 25 jaar nog steeds; en met succes. Waarom weet Madonna steeds weer nieuwe doelgroepen aan haar te binden zonder de oude te verliezen. Het antwoord ligt in hun vernieuwende, onderscheidende en controversiële vakmanschap. Naar Nederlands begrippen zijn ze behoorlijk gestoord. Anders dan anderen. Maar is dat niet juist wat je wilt zijn; grensverleggend. Abnormaal is het nieuwe normaal. Of je onderscheidt je, of je sterft uit. Gestoord en zelfkritisch als ik ben kom ik nooit precies aan waar ik zijn wil, maar ik geniet enorm van het vinden van nieuwe wegen om er te komen. Het houdt me aan de gang. Ik wil twee marathon plus de zestig van Texel binnen een half jaar lopen. Doen wat ik eigenlijk denk niet te kunnen en de schoonheid ervaren van de fouten die ik onderweg misschien maak. Ik hou van uitdagingen en bereid me daar minutieus op voor. Verknipt of niet.

De Groep. Gevreesd door buitenstaanders, maar geliefd bij haar leden. Toegankelijk voor iedereen, maar kennelijk schrikwekkend veeleisend. Bruut en slopend soms haar activiteiten, maar vergelijkingen met Baader Meinhoff of Hofstad gaan niet op voor deze Groep. Maar de prikkende angel is uit de Groep. De ‘capo di tutti capi’ is al lang uit beeld verdwenen. Als Bernardo Provezano ondergedoken; hij heeft de Groep onthoofd achter gelaten. Comateus bestaat de Groep voort; weliswaar versplinterd en vaak zonder samenhang en gezamenlijk streven. Velen zijn afgehaakt in afwachting van de terugkeer van hun gedreven leider. Er wordt geen jacht meer op hem gemaakt, maar zijn naam rouleert nog steeds. De drempel tot toetreding tot de Groep blijft hoog ook al is de ‘capo’ een onbekende geworden. De man die zijn naam heeft geleend aan de Gerard Groep wordt node gemist.

Weer die onderbroek. De gevolgen van knellende en kwellende onderbroeken hebben ook de AIVD bereikt. Na de ontmanteling van de nepbaron en de onteigening van diens hond Pablo hebben zij hun afluisterapparatuur kennelijk naar de ministeriële slaapkamers verplaatst. Youp heeft het lek van de AIVD ontdekt en doet in het NRC oorgetuigenverslag van een gesprek tussen André en mevrouw Rouvoet. Minister André worstelt met zijn protestantschristelijke kruistoupet en de informatie daarover in het Elektronisch Kinddossier. Hier zijn het niet de gevolgen van de Hema onderbroek, maar de wollen, kriebelende Tweka. Het doet hem overwegen zijn schaamhaar te pimpen met highlights; een in één lijn getekend visje. Dus beste ouders; heb het beste voor met uw kind. Kies hun onderbroeken bewust; de gevolgen kunnen verstrekkend zijn en belanden in een lekkende database. Als ze om Björn Borg vragen, geef het ze dan. Het bespaart later een hoop verwijten.

Commerciële mededeling. Mijn vrouw is een sloper en heeft daar haar werk van gemaakt. Niet dat ze een type is die de hele dag met een helm en enorme hamer rondloopt. Integendeel zelfs. Ze loopt rond met een warme glimlach en dito handen. Ze is geen stereotype sloper. Je ziet helemaal niets ruws en gruizigs aan haar. Met empathie en fijngevoelig sloopt ze blokkades met haar blote handen. Prikkeldraad, puin en stenen, ophopingen van ongure lieden en ’oud zeer’. Alle interne dwarsliggers worden uit de weg geruimd, zodat er stroming kan ontstaan. Want waar ‘flow’ is daar is energie. Anders dan andere slopers begint ze bij jouw fundatie; je contact met de aarde. Je voeten. Ze is niet van uiterlijkheden. Eelt blijft zitten, eksterogen en ongelakte nagels blijven ongemoeid. Mijn vrouw is therapeute. Voetreflexzone en running therapeut. Het doet geen pijn, maar doet wel heel erg goed.

Loper alleen

“Snap je?” zegt ze ergens midden in haar monoloog. En niet voor de eerste keer.
Ze lopen samen tijdens de lunchpauze een rondje in de zon. Twee collega’s van het Gemeentehuis.
Zij vertelt honderduit. Hij luistert, maar zegt niets.
“Snap je?” zegt ze nogmaals. Kennelijk vermoedt ze dat hij haar niet begrijpt.
Hij knikt bevestigend. Zijn lichte irritatie laat hij niet zien. Aan haar verhaal is, in zijn ogen, niets te snappen.
Ze geeft, zoals vrouwen dat meesterlijk kunnen, een bloemige beschrijving van de dingen die ze heeft meegemaakt.
Hij is geamuseerd door haar ontwapenende frisheid en luistert graag. Eigenlijk wil hij dat ze gewoon verder gaat met haar verhaal. Zonder steeds “snap je?” te zeggen.

Ze is leuk, een nieuwe collega, en ze lopen samen in de voorjaarszon. Hij is gelukkig.
Zijn korte bevestigende knikjes zijn voldoende om haar door te laten praten. Het “snap je?” lijkt steeds meer op een stopwoord dan een vraag aan hem.
Hij is geïnteresseerd in deze mooie, praatgrage collega.
Zichzelf vindt hij eigenlijk een beetje gewoon, duf en saai, maar in haar buurt voelt hij zich prettig en levend. De lunchpauze mag wat hem betreft langer duren.

Vele lunchpauzes worden samen lopend doorgebracht. Zij kan zo heerlijk met hem praten. Hij vindt het fijn naar haar te luisteren.
Langzaam bloeit er iets moois op tussen hen beiden. Hevige verliefdheid van haar kant en de adoratie van zijn kant maken het samenwerken moeilijk. In de pauze lopen ze niet meer naast elkaar. Ze zoeken vaak een bankje op en versmelten in het zonnetje.
“Ik ga een andere baan zoeken,” zegt ze op een dag. “Ik vind het te moeilijk om je vriendin én collega te zijn, snap je?”
Hij snapt er niets van, maar knikt maar weer eens in aanbidding.
“Ik vind het zo fijn dat je me zo goed snapt,” laat ze hem opgelucht weten.

Ze verandert van baan en is blij. Hij blijft bij de Gemeente en vindt het saai zonder haar. “Was het maar weer zoals het was,” denkt hij vaak.
Ze vinden een huisje niet ver van zijn werk en gaan samenwonen.
“Dan kan jij lopend naar je werk en ik de auto nemen, snap je?”
Blij omdat zij blij is, knikt hij maar weer eens bevestigend.
De tijd verstrijkt. Hij is thuis als zij ’s ochtend de deur uit gaat. Hij is thuis als ze ’s avond weer binnen stapt. Als zij vraagt hoe zijn dag was, zegt hij “goed”. Zij vertelt uitgebreid haar ervaringen en vraagt of hij het snapt. Hij luistert naar alles wat zij meemaakt. Net als tijdens de lunchpauzes van vroeger. Zijn leven is prettig en op orde. Het is zoals het is.

Ze moet steeds vaker overwerken. In stilte wacht hij op haar thuiskomst. Ze is dan moe en de verhalen over haar werkdag blijven uit. “Ik heb zoveel gepraat vandaag; zo vaak in overleg gezeten. “Mijn woorden zijn op, snap je?” probeert ze hem uit te leggen. Hij knikt en gaat maar naar bed. Later voelt hij haar stilletjes in het donker naast hem in bed stappen. Hij vraagt zich af wat er veranderd is. Het knaagt enorm, maar hij durft het haar niet te vragen.

Zijn dagen worden langer en leger. Als ze er al is dan is ze niet haarzelf. Hij mist haar sprankelende vrolijkheid. Voelt zich eenzaam en verdrietig. Na maanden van zwijgen spreekt hij haar in wanhoop aan. “Ik mis je en wil dat alles weer als vroeger wordt.” Ze schrikt. Nog nooit is hij het gesprek begonnen. Ze herpakt zich en neemt het initiatief over. “Ik heb iemand anders leren kennen op mijn werk. Deze man stelt mij vragen en begrijpt me echt, snap je?”. Maanden van weggestopte gevoelens stijgen naar zijn hoofd. Als een vulkaan komt hij tot uitbarsting. “Ik snap helemaal geen ene reet van je!” Zonder op haar antwoord te wachten trekt hij zijn loopschoenen aan en rent het huis uit.

Soms kom je op de gekste tijden en op afgelegen plekken een loper tegen. Alleen en in gedachten verzonken. Hij schrikt op als je hem in het voorbijgaan begroet. Zijn blik is veelzeggend. Je rent door maar vraagt je af; “Wat is zijn verhaal? Wat drijft deze loper? Waar is hij vertrokken en wil hij ergens naartoe?”

No strings attached

Mijn vrouw loopt wedstrijden. Niet zo maar wedstrijden, maar monsters van 25k+. Niks mis mee, maar mij zijn ze te lang. Ze regelt loopmaatjes voor en vervoer naar die wedstrijden. Ze geniet van de wedstrijdsfeer en omgeving en de positieve uitwerking op haar conditie en gemoedstoestand. Althans zo verteld ze mij dat enthousiast na afloop van zo’n evenement.

Mijn vrouw is serieus met haar sport bezig. Methodisch en perfectionistisch laat ze niets aan het toeval over. Met regelmaat trainen, goed eten en drinken, op tijd rust nemen. Voor vertrek naar een wedstrijd liggen de avond tevoren al keurig twee stapeltjes kleren netjes gevouwen naast de sporttas. Een stapeltje verdwijnt om haar, steeds snellere lijf. Het andere verdwijnt in de sporttas. “Om iets droogs en warms aan te trekken na het lopen”, vertelt ze me. Ik ben trots op haar en denk er niets bij. Althans totdat ik bij het legen van onze vuurrode brievenbus een zwarte onderbroek vond. Haar onderbroek in een plastic boterhamzakje!

Nu had deze onderbroek niet het formaat om veel van haar lijf te verwarmen. Het was een onderbroek die bedoelt is om een ander op te warmen. Ik begin mijzelf nu ineens vragen te stellen bij haar blosjes en goede humeur. Minutieus analyseer ik de mogelijke scenario’s die tot ‘de onderbroek’ in de brievenbus hebben kunnen leiden. Ik word daar niet gelukkiger en wijzer van, dus besluit ik over ‘de onderbroek’ met haar te communiceren. Ik ben tenslotte een goede echtgenoot en alles moet bespreekbaar zijn tussen man en vrouw.

Mijn vrouw krijgt weer die blosjes op haar wangen bij het zien van ‘de onderbroek’ in het boterhamzakje. Terwijl ik haar strak blijft aankijken zwijgt ze een tijdje. Het is overduidelijk heel druk in haar hoofd en ik bereid me voor op een gekunsteld verhaal. Fout. Ze begint ineens hard te lachen. Mijn blik verandert van strak naar verbaasd naar verdwaasd. Als ze haar adem weer gevonden heeft en haar lachtranen heeft gedroogd, vertelt ze het volgende verhaal.

“Ik ben met twee mannen meegereden (naam, adres en woonplaats bekend bij echtgenoot) naar de Midwinter Marathon in Apeldoorn. Die waren van plan samen de Asselronde te lopen en ik had met een dame uit Veenendaal afgesproken de ronde te lopen. Een van de mannen was niet in een wedstrijdwaardige toestand, zodat de ander – tevens eigenaar en bestuurder van de auto – zich na korte tijd bij ons vrouwen voegde. Een aardige kerel, die me in de laatste zware kilometers wist te motiveren om vooral door te gaan.

Na de finish wilden de mannen – de gammele stond aan de finish reeds te wachten – snel naar huis. De dame uit Veenendaal moest wachten op haar man, die met zijn zoveelste hele marathon bezig was. Ik heb snel mijn sporttas gepakt en even een jasje aangedaan. Met grote passen ging het richting auto. Ik was inmiddels flink stijf en koud geworden en wilde toch even snel wat droogs aantrekken. Achter de auto heb ik mijn natte spullen uitgedaan, maar wilde niet geheel naakt door de mannen gezien worden. Ondergoed dus maar aangehouden. Ik denk dat toen mijn zwarte onderbroek uit mijn sporttas in de kofferruimte van de auto is gevallen. Wat netjes dat hij hem weer terug gebracht heeft. Hij durfde hem waarschijnlijk niet persoonlijk af te geven. Vandaar de brievenbus”

Ik, goedgelovige echtgenoot, ben zeer visueel ingesteld en krijg na dit verhaal hele duidelijke beelden door. Wie heeft de onderbroek ontdekt? Hoe vertel ik het mijn vrouw? Wie is op het idee van het boterhamzakje gekomen en heeft de onderbroek daarin gedaan? Hoe is het de onderbroek vergaan tussen de auto en het zakje?

Mijn vrouw en ik lachen er nog eens hartelijk om. Van de man heeft zij niets meer vernomen.

Magie

Ik hoor dat de school waar mijn kinderen naar toe gaan besloten heeft om het Boekenweek thema van “Magie” maar niet te volgen en iets over vroeger te gaan doen. Kastelen en ridders en zo. En ik denk; “Dat kan toch niet waar zijn!”
Ik lees in een boek over ‘thin slicing’ en dat er wetenschappers zijn die, met die techniek, in staat zijn om een twistgesprek van 15 minuten tussen twee echtgenoten te analyseren om vervolgens te bepalen of hun huwelijk op termijn stand houdt of niet. En ik denk; “Dat kan toch niet waar zijn!”
Ik doe samen met mijn geliefde mee aan een welbekende locale hardloopwedstrijd, trek mijn wedstrijdschoenen aan, beuk 30 minuten tegen de wind in en worstel een berg op. ‘s Avonds kijk ik op het internet naar de uitslagen. En ik denk; “Dat kan toch niet waar zijn!”

Ik weet niet hoe het bij jullie thuis is, maar bij mij overheersen een aantal onderwerpen de conversatie tussen man en vrouw. De kinderen, de relatie en de vrijetijdsbesteding (werk hoort daar eigenlijk ook nog bij, maar dat is voor dit betoog en deze doelgroep even niet interessant). Als mijn vrouw zegt, “we moeten weer eens praten”, dan gaat het over onze relatie. Ik wens me dan in het bos, rennend en alleen. Als ik eens iets zeg, dan gaat het over hardlopen. Zij wenst zich dan tussen vriendinnen, kwebbelend en samen. U begrijpt, wij praten samen veel over de kinderen. Daar hebben we er drie van en die zijn elke dag weer goed voor een aantal discussies.

Elk jaar gebruiken de Nederlandse basisscholen het Boekenweek thema als kapstok om leermomenten voor de het opgroeiende kroost aan te hangen. De stof moet tenslotte allemaal niet te droog en slecht te verteren zijn voor de jongelui. Dit jaar verkoos de Erica school het thema van “Magie” niet te volgen. Voor mij, en dat zegt wat, veel reden tot opwinding en conversatie. Want, en zeg nou eerlijk, “wat is er mooier en belangrijker in een mensenleven als magie?” En voelen sommige geluksmomenten niet als pure tovenarij? In plaats dat mijn kinderen fantaseren over hoe het zou zijn geweest om als ridder in een kasteel te wonen (daarvoor hebben wij voor veel geld Playmobil aangeschaft) zou ik liever zien, dat ze voor zichzelf magische momenten creëren om te zien hoe het is en zou kunnen zijn. De school werkt daar niet aan mee, omdat sommige ouders het niet met mij eens zouden kunnen zijn. Onderwerpen moeten aards zijn en op geen enkele manier conflicteren met het christelijke geloof. Wat een flauwekul!

Ik geef grif toe als kind (in die status bevind ik mij nog steeds en hierover is consensus bij mij thuis) vaak gefantaseerd te hebben wat ik zou doen als ik kon toveren. Om niet verstrikt te raken in mijn eigen fantastische wensen beperkte ik me tot een keus van drie dingen en dan zou de magie voorbij zijn. Met het groeien der jaren kwam de Dagobert Duck fantasie steeds vaker bovendrijven, maar toen ik nog echt jong en ongeconditioneerd was waren er andere thema’s. Veelal over ergens in excelleren. Iets goed kunnen en een verschil uitmaken. Alle talen en dialecten van de wereld spreken en een goede spion worden, virtuoos piano kunnen spelen en alle grote zalen van de wereld in vervoering brengen en de belangrijkste; hele lange zweefelementen kunnen inbouwen in hardlopen en andere gymnastische oefeningen. Ik zag mezelf licht stuiterend, zwevend en draaiend (salto’s en flick-flacks etc.) door de straten bewegen. Magische momenten voor een jonge man, waarvan ik vurig hoop dat mijn kinderen die op hun eigen manier ook zo beleven.

Laatst deden mijn vrouw en ik mee aan de Berg-tot-Berg race. We doen vaker samen aan een loopwedstrijd mee. Een goede gelegenheid om onze favoriete vrijetijdsbesteding om te zetten in wat ‘quality time’ tussen man en vrouw (lees: even kinderloos zijn). We hebben die tijd zo lang mogelijk gerekt door te besluiten om al rennend van en naar Ouwehands Dierenpark te gaan. Er waait een lekker windje en het zonnetje scheen. Op de Markt in Wageningen aangekomen nog even lekker plassen in (niet tegen) de kerk, nog wat wachten en dan van start. Ik voel het gelijk al. Dat gevoel dat je ook wel eens tijdens trainingen kan hebben. Je lijf en je hoofd hebben er allebei zin in. En toen kreeg ik die flashback naar mijn jeugd. Lange zwevende passen, nauwelijks de grond raken, lopen als in een roes. Ondanks wind en de berg een gevoel van pure magie. Een status waarin we als mens te weinig verkeren en waar met volle teugen van genoten moet worden. Het gezoem van mijn Championchip op de mat doet me ontwaken.

Kort (maar niet te kort) daarna vang ik mijn vrouw op. Niet letterlijk, want ze komt altijd sterk over de streep. Ook zij heeft heerlijk gelopen en genoten van de aanmoedigingen van bekenden langs de kant. We wisselen ervaringen uit (het is tenslotte quality time) en ik ben gelukkig want ze wenst zich niet onder vriendinnen, maar bij mij. Samenvattend (de intimiteit van ons gesprek blijft de lezer onthouden) zijn we heel blij met onze prestaties en heel nieuwsgierig naar de uiteindelijke uitslagen. Het gevoel dat er een prijsje in zou zitten is heel sterk. Euforisch draven we naar huis. Als we ’s avonds www.bergrace.nl opstarten voor de uitslagen kunnen we eerst onze namen niet vinden. Blijken we plotseling een aantal jaren ouder te zijn geworden en in een ‘oudere’ categorie te zijn ingedeeld. Maar toen we daar eenmaal achter waren hebben we onze namen snel gevonden. Allebei bovenaan in onze leeftijdscategorie! Hoe vaak win je iets met hardlopen? Hoe vaak worden man en vrouw samen eerste in een wedstrijd? Weer een magisch moment in onze relatie. Wetenschappers kunnen alles thin slicen en vervolgens beslissingen nemen, maar als beide partners in de relatie dusdanig gelijkwaardig zijn, dat ze dezelfde wedstrijd in hun categorie winnen, dan rest mij nog een conclusie. Blijven genieten van elk magisch moment met elkaar, ga lopen om te bewegen en niet om een goed gesprek tussen man en vrouw te ontvluchten. Het is allemaal waar!

Een betoverend mooi kerstfeest.

Luchtfietser

Het zoeken naar een voorzitter van een vereniging waar lopen een centrale rol in vervult is bij voorbaat lastig. Wie wil er voorzitten terwijl de belangrijkste reden van het Arena lidmaatschap hardlopen is? Een paradox. Er wordt in een actieve groep mensen gezocht naar iemand die bereid is te gaan zitten en zich met de context van ons gezamenlijk hardlopen te bemoeien. Als je het zo bekijkt is het al een wonder dat de huidige voorzitter er al gedurende een looptijd van 8 jaar zit. Alleen daarom al verdient deze man respect en waardering.

De voorloper – deze term dekt de lading beter - van onze vereniging houdt er mee op. Het zitten beu. Ruimte makend voor een frisse wind. Voor nieuw elan. Zit ik daarop te wachten? Kan die wind veel frisser? Ik weet het niet. We nemen afscheid van een voorloper die verwondering oproept. Door zijn optreden als voorloper en trainer, maar ook door zijn stukjes in ons clubblad heeft hij ons inzicht in zijn persoonlijkheid gegeven. Je denkt hem dus te kennen. En dan kom je hem weer eens tegen en denkt; ‘ik ken hem helemaal niet!’. Of; ‘herkent hij mij wel?’

Een bijkomstige tegenstrijdigheid. Onze voorloper is een luchtfietser. Ietwat zweverig. Met zijn hoofd in wolken. Zelf zijn hardlooppas is lang en zwevend. Gelukkig maakt hij vaak genoeg contact met de aarde en toont zich een betrokken en warm mens. Je denkt altijd, dat hij even moet ontdooien. Van een vaste vorm naar vloeibaar. Van koud via lauw naar warm. Dat is niet waar. De voorloper moet condenseren. Van warm naar verkoelend. Van een vluchtig gas naar een vloeistof. Van een wolk in de lucht naar neerslag, zodat hij op aarde neer kan dalen en zijn verfrissing kan brengen.

Ik wil dus eigenlijk helemaal gaan ruimte maken voor een frisse wind en voor nieuw elan. De voorloper in gecondenseerde vorm - een verfrissend motregentje aan het eind van een warme, stoffige en stressvolle werkdag – is prima. Ik heb met hem samengewerkt, samengelopen en samen een kleedhokje gedeeld. Ik denk dus dat ik hem ken, maar weet het eigenlijk helemaal niet zeker. We gaan afscheid nemen van een bijzondere voorloper, maar gelukkig niet van Rob, de trainer en loper en bovenal een verdomd leuke luchtfietser.

Hardlopen, vakantie en geloof

Om van hardlopen te blijven genieten moet je vooral en met regelmaat trots zijn op je eigen presteren. Dat houdt de moed erin en zorgt ervoor dat je na een zware training of wedstrijd genoeg durf overhoudt om het de volgende dag weer te proberen. “Het was zwaar, mijn lijf doet zeer en ik ben moe, maar ik heb het toch maar mooi weer gedaan. Ik ben trots op mijzelf”, vertel je jezelf dan. Liefst hardop en in het bijzijn van je dierbaren, die dat dan weer kunnen bevestigen; “Trots mag je zeker zijn. Goeie tijd zeg. Ik zou het niet kunnen.” Op ons hobbyniveau ontbreekt de pers en het publiek om lovend over je prestaties te berichten en luid je naam te roepen bij wedstrijden. Maar sommige loopwedstrijden verzorgen tegenwoordig startnummers met je voornaam om je te helpen ontkomen aan een puur persoonlijke egostreling door het publiek erbij te betrekken. Het werkt. Het is heerlijk om als je puffend en tobbend langs komt rennen door wild vreemden je naam te horen roepen. “Klasse Marc ziet er goed uit joh, nog een klein stukkie!”. Je geloofde al in jezelf, maar nu echt! Ja, dan kan je een hele vent voelen.

Je voelt je een hele vent als je binnen de anderhalf uur een wedstrijd over 20 kilometer rent. Totdat je naar het WK atletiek kijkt en beseft dat snelwandelaars met hun onooglijke waggelende eendentred het sneller doen. Je voelt je een hele vent als je goed getraind, soepel en ergonomisch bewegend in een moderne ademende outfit en verse schoenen een marathon aan het lopen bent. Totdat je halverwege wordt ingehaald door een wild bewegende Quasimodo met jeukende aambeien in een stinkend katoenen Zevenheuvelenloop 1983 T-shirt en schoenen uit hetzelfde decennium. Je voelt je een hele vent als je in juli en augustus steeds voorop loopt bij de trainingen. Totdat iedereen van vakantie terug is en je weer anoniem opgaat in de middenmoot. Je voelt je een hele vent als je trots met een wit vel terugkeert van een vakantie waarin je veel hebt gelopen omdat daar het weer zo mooi voor was (wolken en regen). Totdat je Gerard in korte broek ziet en beseft dat witter dan wit bestaat.

Tsja…. loopervaringen uit de vakantie daar kan je mee aankomen tijdens trainingen. Elke verplicht beleefde vraag naar je vakantie-ervaringen kun je beantwoorden met prachtige heroïsche verhalen over de extreme trainingen die je hebt gedaan. Ik heb ze weer veel gehoord dit jaar. “Kilometers om moeten lopen in een verzengende hitte van 45° c., maar toch doorgaan. Twee uur onderweg geweest langs de mooiste plekjes die je anders nooit ziet!” “Heuvels met stijgingspercentages van minstens 45° waar de lokale ezeltjes nauwelijks naar boven komen, maar het ging me moeiteloos af!” “We zaten in de bergen op 3500 meter hoogte, maar daar merkte ik tijdens het intervallen helemaal niets van. Heerlijk al die nieuwe rode bloedlichaampjes!” “We zijn in Afrika geweest; komt er zo’n cheeta achter me aan, maar ik schakel een tandje bij en loop zo bij hem weg!” “Als je denkt dat de teken hier erg zijn dan moet je eens naar Oostenrijk gaan. Na elke training moest ik er minstens tien met kop en lijf uit mijn huid rukken. Maar dat stopte me niet om de volgende dag weer te gaan!”

Heerlijk al die verhalen. Blijf ze vooral vertellen. In ons eigen hoofd zijn we heel wat. Blijf dat vooral geloven. Het maakt de maanden na de zomer de beste tijd voor het trainen bij Arena.

Hoogtepunt

Voor ons begint de vakantie met het kopen en lenen van boeken. Boeken die moeten bijdragen aan een plezierige vakantiebeleving. Wij zijn kennelijk niet de enigen, want uitgevers spelen slim in op deze leeshausse. Onze zomercollectie dit jaar kende vele titels uit de Bruna Top 10. Erotiek (lees: sex) en songteksten waren terugkerende elementen in de boeken die over het algemeen op het vrouwendisplay bij de Bruna te vinden zijn. Ik heb het nare trekje om al voor de vakantie eerst die ‘wijvenboeken’ uit de stapel te pakken en te lezen om naderhand het leesplezier van mijn vrouw te verzieken met opmerkingen als; ‘goed hè’, ‘ben je daar en daar al’, ‘wat vindt je daar nou van?’ of ‘een echt wijvenboek. ik vond het niks’. De sex en songteksten dienen als elementen om de hoogtepunten en de dieptepunten van de hoofdpersoon kracht bij te zetten. Dat verkoopt dus kennelijk dit jaar. Ik moet daar op inspelen.

I want to fly like an eagle
To the sea
Fly like an eagle
Let my spirit carry me
I want to fly like an eagle
Till I'm free
Fly through the revolution
(Steve Miller Band, Fly like an eagle)


Hittegolf. De dag ebt weg en ik ren de zonsondergang tegemoet. Ik verlaat de beschutting van het bos en loop langs loombewegende paarden onder vliegengaas. Het koren is net gemaaid en ik kijk richting het westen waar een oranjerode zon zich langzaam richting horizon beweegt. Het fietspad doorklieft het stoppelveld. Honderden grauwe ganzen zijn neergestreken om de achtergebleven graankorrels van het veld te pikken. Opgewonden gakken ze er vrolijk op los. Hun aantal zorgt voor een muur van geluid. Ik kom dichterbij en de eerste ganzen worden onrustig en raken geprikkeld. Een enkeling vliegt op en strijkt enkele meters verder weer neer. Het gakken verandert van toon en wordt luider. De onrust en spanning neemt toe. De akker heeft een gouden gloed in het avondlicht. En dan overschrijdt ik een grens en gaan alle remmen los. Met een vloeiende golvende beweging en onder luid geschreeuw vliegen de ganzen op. Weg van mij. In de richting van de zon. Een zwarte ganzenwolk werpt een schaduw over me. Ik voel me extatisch bij het gadeslaan van deze vlucht grauwe ganzen. Honderden cirkelen nu boven mij en ik spreid mijn armen om met ze mee te kunnen vliegen. Versnel mijn pas, maar kom slechts geestelijk los van de grond. Pure erotiek. Ik loop door. De ganzen strijken achter me neer. Wat een runners high. Mijn hoogtepunt!

I live my life like there's no tomorrow
And all I've got I had to steal
Least I don't need to beg or borrow
Yes I'm living at a pace that kills
Runnin' with the devil
Runnin' with the devil
I found the simple life ain't so simple
(Van Halen, Runnin’with the devil)


Hittegolf. Het is verdomd vroeg en de dag start grauw. Tweehonderd kilometer tot de start. Samen met leuke dames op de achterbank. Ontbijten uit je eigen trog met de geur van, in amandelolie, gemasseerde benen. Met loopvrienden in zeven etappes van Vaals naar Venlo. Ik wil er twee lopen, maar twijfel wel. Het is warm. De wedstrijd is elk jaar weer leuk. De faciliteiten bij elke start niet altijd geweldig. Hurken in de bosjes, broek omhoog, een tikje van je teamgenoot op je ongewassen hand en rennen. Mijn etappe begint met veel heuvels. Daardoor een oogstrelend Limburgs landschap. Daar waar je kan genieten gaat het nog. Zweet in je ogen en over je hele lijf. Teveel frictie van synthetische stof over mijn tepels. Ik sluit mijn etappe af met een sprintje en twee rode vlekken in mijn witte loopshirt. Veel drinken, shirt uit, handdoek, herstellen en, als het zweten enigszins is gestopt, schone kleren. Veel tijd is er echter niet. We moeten achter de volgende loper aan. Achterin de auto gewoon doorzweten op een handdoekje. De weg kwijt, maar start van de volgende etappe toch gevonden. Dan is het middagpauze. Ik eet en wil nog een keer. Van St. Joost naar Roermond. Het is nu nog warmer en ik (be)voel mijn tepels. Angst voor een bloedbad en blijvende psychologische schade. Een man in nood is inventief en tot alles bereid. Zo ook ik. Ik vraag een man of hij zijn vaseline met me wil delen. Wat een runners low. Mijn dieptepunt!

Hoe overleef ik?

De Hema Onderbroek. De Hema; trekpleister voor de Hollandse ondergoeddrager. Wie komt er niet voor het stukje katoen met lubbergarantie? Maar is de Hema onderbroek bestand tegen de veranderende eisen van onze maatschappij. Tegenwoordig zegt alles iets over iets. Wat zegt een Hema onderbroek over jou? Over je persoonlijk merk. De perceptie van jou in de hoofden van anderen. Kortom: we moeten bewuster ondergoed gaan kopen en dragen.

‘Ik heb een nieuwe onderbroek voor mijn man gekocht, maar hij mag ‘m niet dragen tijdens het hardlopen. Zijn oude Hema onderbroeken zijn daar goed genoeg voor’, hoorde ik laatst iemand vertellen. Rode en rauwe ervaringen hebben mij ooit tot een zoektocht naar de juiste onderbroek aangezet, dus ik ken de eisen waaraan een hardlooponderbroek voor mij moet voldoen. De Hema broek is door mij als ongeschikt getest, maar als een ander er schik mee heeft, ‘so be it!’ De vraag die echter bij mij opkwam is; ‘waarom heeft deze vrouw, voor haar man, ander en nieuw ondergoed gekocht?’ Zij boycot de Hema onderbroek kennelijk voor een andere reden dan ik dat doe.

Een onderbroek kiezen wordt steeds meer een reflectie van onszelf. Toon me je onderbroek en ik vertel je wie je bent. Ooit – in de periode toen de boxershort weer in de mode kwam - hoorde ik een vrouwelijke collega antwoorden op de vraag; ‘wat voor onderbroeken draagt jouw vriend?’ ‘Twee. Een boxershort over een slip’. Kennelijk bood de boxershort alleen hem iets te veel vrijheid. Klinkt als het riem & bretels type. Nogal onzeker van zijn zaak. Of is het zakie? Ook weet ik van lopers, dat de zwembroek onder de strakke looptight wordt gedragen. Sinds mijn eerste vakantie zonder mijn ouders koop ik bewust mijn zwembroeken te klein. Toont aardig, maar zit voor geen meter. Voor mij dus geen optie zo’n zwembroek tijdens een duurloopje. Of het moet natuurlijk in een Baywatch setting zijn. Dan weer wel.

Ik ontbarst in woede als mijn vrouw voorleest; ‘een vrouw boven de veertig in een string is not done.’ Joyce Roodnat geeft vrouwen dat als tip mee in haar zelfhelpboek voor veertigplussers. Bang voor verandering leg ik mijn vrouw uit waarom ik die stelling in haar geval pure onzin vind, maar nuanceer het een beetje met voorbeelden waar de string inderdaad geen gelukkige keus is. Maar dat heeft dan weer niks met leeftijd te maken. Mannen in een string; dat is pas ‘not done’! Helaas kent mijn vrouw weer voorbeelden waar dat wel meevalt. Wat mijn woede niet tempert.

‘Toon me je onderbroek en ik vertel je wie je bent’. Velen van ons zullen deze manier van authenticiteit tonen niet willen gebruiken. En gelukkig maar….alhoewel. Omgekeerd kun je afvragen; ‘wat voor onderbroektype is deze persoon?’ Wat tot verrassende vergissingen kan leiden. Dat merkte ik onlangs ergens op een dijk tussen de schapenpoep. Wat een avontuur dat wadlopen! De keus voor een zwembroek onder de korte broek ligt hier – zo bleek ook - al veel meer voor de hand. Maar hoe representatief is wadloop- of hardloopondergoed voor een persoon? Mij zul je bijvoorbeeld nooit op Scapino All Stars zien lopen, maar op het wad weer wel.

Hoe je het ook wendt of keert; ondergoedkeuze kan letterlijk en figuurlijk een verstikkende worsteling zijn. Vrij worstelen in het goede ondergoed weer een stimulerende verademing. De onderbroek is een statement. Het resultaat van de juiste keuze loont. Maar of je daarvoor bij de Hema moet zijn?

Geboorte

‘He not busy being born is busy dying’, schreeuwt de nieuwe trainer ons toe. Hij heeft zojuist uitgelegd wat de training van vandaag behelst. Met verbazing kijken we hem aan. Wat hebben de filosofische en mooie woorden van Bob Dylan met hardlopen te maken? Zware kost zo aan het begin van een intervaltraining. De trainer geeft geen nadere uitleg en ik vraag me af of hij zich niet iets te gemakkelijk bedient van deze oneliner.

De groep zet zich in beweging voor de eerste 1000 meter! Mijn hoofd is vrij en Bob Dylan neemt die ruimte al snel in. ‘Als je niet steeds nieuwe ervaringen aan je leven toevoegt ga je langzaam al een beetje dood. Zonder verrijking komt het rappe verval. Tsjeeemig, dat stelt hoge eisen aan de manier waarop je in het leven staat. Jezelf koesteren in je comfort zone en het leven volgens vaste vertrouwde patronen laten voortkabbelen is kennelijk geen optie voor een rijk bestaan’. De beentjes voelen nog licht bij 1000, maar het hoofd zwaar. Drie minuten pauze.

‘All human beings should try to learn before they die what they are running from, and to, and why’. Net voor duizendje nummer twee fluistert de trainer ons dit in het oor. Welke pilletjes slikt deze man? Is hij net terug van een of andere opleiding in de States om ons te vervelen met het zojuist geleerde? Drie minuten zijn voorbij en ik moet op pad.

Waarom ren ik eigenlijk? Wil ik ergens naar toe of juist wegvluchten? Heeft Dylan hier iets mee te maken. Ren ik naar dingen toe die mijn dood kunnen uitstellen, of ren ik juist omdat ik als de dood ben? Als de herfst in je leven zijn intrede doet dan gaat het gevoel van ‘langzaam verdorren’ van sappig groen naar rimpelig bruin je opspelen. Ik moet op zoeken naar nieuwe voedende bronnen voor een (weder)geboorte. Mijn vinger raakt het knopje ‘split’ op mijn horloge en nummer twee ligt achter me. Drie minuten pauze.

‘To be mature means to face, and not evade, every fresh crisis that comes’. Ik word langzamerhand redelijk prikkelbaar van de man die me wederom wegstuurt met een boodschap. Nu voegt hij het woord crisis toe aan de wirwar in mijn hoofd. Hardlopen ontrafelt en ik ga op weg voor nummer drie.

Dus die nieuwe voedende bronnen kunnen uitmonden in een crisis. Een crisis die ik met open vizier in de ogen moet kijken. Bezig zijn met geboren worden is jezelf opzadelen met het overwinnen van obstakels; angsten. Twijfels aan je zelf. ‘Mag ik alsjeblieft in mijn comfort zone blijven! Kan ik werkelijk mijn levenskader verruimen door steeds dingen te doen die me vreemd zijn of zelfs spannend en eng?’ Als je niet elke dag een beetje verder dood wil gaan is dat kennelijk wat er gevraagd wordt van de rijpe, midlife mens. Vroeger kwamen de nieuwe dingen vanzelf. Je wist nog niets en moest alles nog gaan meemaken. Nu weet je het en moet nieuwe prikkels gaan zoeken. Op naar de laatste interval. Drie minuten pauze.

‘To be stupid, selfish, and have good health are three requirements for happiness, though if stupidity is lacking, all is lost’ en als bonus krijgen jullie ook nog de volgende zin van mij mee; ‘Happiness is nothing more than good health and a bad memory’. Vijf betekenisvolle zinnen voor vier keer duizend meter. Achttien minuten diepgaande reflectie. Krijg ik de komende vierenhalve minuut deze puzzeltraining opgelost? Op pad voor nummer vier.

Ineens daagt het me. Als je het oude vergeet of loslaat, dan is veel weer nieuw. In goede gezondheid niet te veel nadenken en veel vergeten is de sleutel tot geluk. Dan ben je bezig met steeds weer geboren worden. Ik loop om gezond te zijn en om mijn hoofd vrij te krijgen. Een domme egotripper op loopschoenen. Alleen zo kan een gelukkig mens eruit zien! ‘Ik pas volledig in dat profiel!’ constateer ik zwaar ademend en besef mijn geluk. Nu snel naar huis naar mijn meisje. ‘Goeie vent trouwens die nieuwe trainer.’

Man alleen

Alleen de lamp boven de eettafel is aan. De rest van het huis verkeert in de schemer van een late wintermiddag. Hier en daar brandt een kaarsje. Ze is alleen en Robbie Williams crooned zachtjes een Sinatra liedje op de achtergrond. Licht voorovergebogen zit ze aan tafel, geslofte voeten onder de stoel gekruist, haren nog wat nat, fris van een warme douche. Een kop dampende thee binnen handbereik. Het boek ligt open voor haar. De bladzijde nog maagdelijk blank. Haar pen krast over het papier. “Lief dagboek, het was vandaag een loopdag van uitzonderlijke vreugde en genoegdoening……” Een vrouw alleen met haar gedachten. In volledige harmonie met zichzelf en haar omgeving.

De televisie blèrt, maar wordt overstemd door de geluiden die een smakkende chipsmalende mond voortbrengt. Fight Club op Eurosport met K1 gevechten uit Japan. “Yes, sla hem op zijn bek!” Nog een slok bier en een hand chips verdwijnen in de mond. Alle lampen zijn aan en de krant ligt halfgelezen open op de bank. Hij is alleen en heeft zijn schoenen uitgetrokken. Zijn verfrommelde outfit wijst nog op de activiteiten van eerder die dag. Hij veegt zijn rode paprikahanden af aan zijn hardloopshirt. “Wat maakt het uit, gaat toch de was in,” denkt hij. Het zout van chips rond zijn mond gaat over in het zoutige opgedroogde zweet op zijn voorhoofd. Hij wil nergens aan denken. “Klote gelopen vandaag.” Een man alleen op de bank met zijn AB en biertje, krabbend aan zijn kruis. Geen prettig gezicht.

Eerder die dag.

Op de heenweg rijdt de ranke Dame nog mee met de noestige Neanderthaler. Omdat ze loopmaatjes zijn en de Neanderthaler zich niet bedreigt voelt. Immers heeft hij niet bij regelmaat tijdens trainingen en andere wedstrijden laten zien dat hij de man en daarmee sneller is. Bewondering heeft hij wel voor de Dame. Ze weet immers, weliswaar tandenknarsend en zwaar hijgend, verrekte goed in zijn buurt te blijven. Hij gaat zelf zover te denken, dat hij van positieve invloed is op haar presteren. Of liggen de feiten toch ietsies anders? Enfin, het is begin december en ze reizen af naar de glooiingen in ’t oosten van het land.

Op de terugweg besluit de ranke Dame dat het tijd is om de noestige Neanderthaler definitief te laten zien hoe de rollen werkelijk verdeeld zijn. Zij stapt in de auto bij een grandioze Grande Dame van de Rhenense loopsport en rijdt met haar mee terug. Bij gebrek aan een knuppel en te korte haren bij de Dame laat de Neanderthaler dit ongehinderd gebeuren. Anders had hij haar zeker in zijn auto gesleurd. Even tevoren heeft hij, kort na een bevrijdende finish van zijn eigen race, nog moeten ervaren hoe de ranke Dame hem in tijdstip van aankomst en eindtijd is voorgebleven. Ook de grandioze Grande Dame kan zich beroepen op dat wapenfeit. Deze verzustering mondt uit in het verstoten van de verliezer.

Uiterlijk onberoerd, maar van binnen verrot, stapt de Neanderthaler in zijn auto en keert terug naar zijn grot. In zijn auto vindt hij nog een sweater van de Dame en besluit die nog even bij haar af te geven. In de schemer van een late winternamiddag stapt hij uit zijn auto. Hij kijkt door het onbedekte raam naar binnen. In haar grot brandt alleen de lamp boven de eettafel en hier en daar een kaarsje. Ze zit voorovergebogen aan tafel. Een harmonisch plaatje, dat hij met lichte tegenzin met het drukken op de deurbel verstoort. ‘Hier is je trui’ en hij draait zich om.
Thuis aangekomen schopt de Neanderthaler zijn loopschoenen uit en trekt de ijskast open. Bier en chips worden voor de dag gehaald. Frustfressen fuer den Neanderthaler. TV aan. Een man alleen is geen prettig gezicht.

De Dame hangt haar sweater netjes op en keert terug naar de eettafel. Ze hervat haar ‘lekker-even-tijd-voor-mezelf” sessie. “Lief dagboek, het was vandaag een loopdag van uitzonderlijke vreugde en genoegdoening. Ik heb de noestige Neanderthaler verslagen en het hem nog laten voelen ook. Ik wil dit heerlijke unieke gevoel met je delen en samen koesteren, lief dagboek. Ik geloof namelijk niet dat hij dit zo maar over zijn kant zal laten gaan”

En zo is het.

Man in crisis


Ik heb altijd geleerd dat eekhoorns de hele zomer druk zijn met het verzamelen en verstoppen van voedsel. Waarom? Om in magere tijden niet zonder eten te komen zitten. Ik heb ook geleerd dat eekhoorns geen goed geheugen hebben en dat hun gespaarde beukennootjes soms niet terug gevonden worden. Of dat een collega eekhoorn met de zelfde amnesie per ongeluk op andermans voorraad stuit en die dan maar inpikt. Menig eekhoorn stort zich zo halverwege de winter in een behoorlijke crisis. In mijn tuin heb ik een eekhoorn steun aangeboden in deze crisistijd. Er hangt, net binnen zijn bereik, een netje met apenootjes – waar alleen vogels en onze eekhoorn op af komen, maar nooit apen. Onze eekhoorn maakt dankbaar gebruikt van de steun, die ik hem als een ware Wouter Bos heb verleend. Hij komt met regelmaat eten, maar deelt de buit met niemand. En ik maak me zorgen dat de eekhoorn vergeet waarom hij mijn steun heeft gehad. Ik wil immers niet dat hij de hele zomer op zijn dikke staart in het zonnetje ligt. Hij moet wel, en liefst zoveel mogelijk, zijn eigen eten blijven zoeken en zelfstandig gaan sparen om verlenging van de crisis te voorkomen.

Had ik hem wel moeten helpen en verstoor ik niet zijn natuurlijke instincten en eekhoorncreativiteit? Liggen er ook kansen verborgen in crisis en schaarste? Er wordt in deze tijd heel veel nagedacht en gesproken over de gevolgen van een crisis. Zo ook door mij.

Waar zo’n crisis allemaal effect op heeft, dat wil je niet weten. Zo schijnen we, maar met name vrouwen, andere feromonen te gaan afgeven en ons op een onbewuste creatieve manier aantrekkelijker te gaan maken voor het andere geslacht. Dat heeft te maken met onze aangeboren overlevingsdrang. Vrouwen gaan zich in magere tijden bewust of onbewust aangetrokken voelen tot sterke en succesvolle mannen. Ze geven daar uiting aan door zich uitbundiger en aanlokkelijker te presenteren en te kleden. Deze wetenschap moet de sterke mannen onder ons enerzijds vleien, maar anderzijds ook voorzichtig maken. Het is immers onze bescherming waar naar gezocht wordt. Een veilig nest. Je kunt mijns inziens in tijden van economische crisis maar beter vrouw zijn. Als je positie als ‘veilig nest verschaffer’ minder sterk wordt dan ruik je onbewust onraad. Je vrouw gaat in de overlevingsstand en dat trekt concurrenten aan.

Heeft dit iets met hardlopen te maken? Natuurlijk! Alles heeft met hardlopen te maken. Ook de crisis. Ten eerste is hardlopen tamelijk conjunctuur ongevoelig. Het vraagt geen grote investeringen en er is altijd natuur waar je het kunt doen. Als je door de crisis meer tijd krijgt kun je die het best vullen met hardlopen. Je raakt er je energie door kwijt, maar wordt er tegelijkertijd vrolijker van. Je komt nog eens een verdwaasde hongerige eekhoorn tegen of dampende zwarte koeien die op een houtje staan te bijten. Als je alleen gaat lopen of met vrienden vermijdt je het gezeur over het dreigende tekort in de huishoudportemonnee en kun je, al scheten latend, je sterke verhalen delen. Maar ook moeder-de-vrouw moet de wei in worden gestuurd. Je wil tenslotte niet dat zij gaat flaneren op rijke plekken terwijl jij met je vrienden op pad bent. Zweetlucht overstemt het vrouwelijke crisislokhormoon en de meeste loopkleding is niet echt uitdagend voor ‘sterke’ mannen. Aansluitend is ze vrolijk en zeurt minder, maar ook te moe om nog de deur uit te gaan.

Ja, de crisis gaat je behoorlijk tussen de oren zitten. Je hoofd zit vol met rampscenario’s en – indien je gezegend bent met een dosis fantasie – krankzinnige en ludieke oplossingen. Ik loop letterlijk al een tijdje verdwaasd rond op zoek naar iemand die me apenootjes aanbied. Mijn mannelijke hormonen maken overuren. Ik wil me trainen en voeden om sterk te zijn, goed te ruiken en om in de smaak te vallen. Maar dan moet ik weer niet gaan rennen, omdat het daar niet gebeurt.

Oef, wat een crisis!

Marathon; optimale staat van opwinding

Desk research.
Ik lees deze passage in het boek Blink (2005) van Malcolm Gladwell en het laat me niet meer los.

“Dave Grossman, een voormalig luitenant-kolonel in het Amerikaanse leger en de auteur van On Killing, argumenteert dat de optimale staat van ‘opwinding’ – het bereik waarin stress de prestatie bevordert – is waar onze hartslag tussen de 115 en 145 slagen per minuut ligt…..”

Grossman brengt de menselijke hartslag hier in verband met het optimaal reageren op een levensbedreigende situatie. Een situatie van doden of gedood worden. “Na 145, zegt Grossman verder, beginnen er slechte dingen te gebeuren. Complexe motorische vaardigheden beginnen af te takelen”. Om stress optimaal voor je te laten werken moet je hartslag tussen de 115 en 145 liggen. De meeste van ons, onder druk, raken te opgewonden, en na een bepaald punt, beginnen onze lichamen zoveel bronnen van informatie af te sluiten dat we nutteloos beginnen te worden.

Hartslag 140-145 is kennelijk het optimum. The Zone. In dit bereik heb je de mogelijkheid om je helemaal te focussen op de situatie; dingen die belangrijk voor je zijn; verstorende factoren buiten te sluiten en alles heel erg bewust – als het ware in slow motion – te beleven. Wow!

Field research.
Ik tref voorbereidingen voor een lange duurloop richting Amerongen en sta in mijn blote kont voor mijn kledingkast met passpiegel.

Ieder mens schijnt zijn eigen ritueel te hebben bij het aan- en uitkleden. Ik begin bij mijn onderbroek en eindig met mijn sokken. Afwijken van die volgorde is een verstoring en voelt ‘anders’. Beginnen met het aantrekken en dichtknopen van mijn overhemd voor de spiegel heb ik onbewust wel eens gedaan. Gevolg; enerzijds teveel accent op het gedeelte van de kont dat de strijd met de zwaartekracht aan het verliezen is plus een spottende opmerking van vrouwlief; anderzijds sta je in de spiegel te kijken naar een artiest in zijn nadagen, die twijfelend zijn verlopen kop door de gordijnen steekt om de zaal in te kijken. Onderbroek eerst dus.

Vandaag die duurloop en ik doe de band van mijn hartslagmeter om. Eerst nat gemaakt. Het voelt prikkelend koud op mijn huid. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf slechts met een zwarte band om mijn borst. Onderbroek vergeten. Ik denk weer aan Blink en vraag me af wat mijn hartslag is tijdens de daad. De beschreven beleving in ‘the Zone’ lijkt verdacht veel op die van goede sex. “Meten is weten”, denk ik, maar het vooruitzicht op, in het meest gunstige scenario, de slappe lach van mijn vrouw weerhoudt me het voorstel te doen. Romantiek en wetenschap zijn geen goede combinatie.

Actie.
Ik loop mijn eerste marathon in Amsterdam (2006) en heb voldoende tijd (3:20:08) onderweg alles te beleven en ervaringen te verzamelen.

A dog in the hunt doesn’t stop to scratch its fleas. Een man met een missie. Ik loop de 42,195 kilometer en wil een optimaal resultaat – een snelle tijd is zeker niet mijn belangrijkste doelstelling - voor mijzelf neerzetten. Natuurlijk is het spannend. Maandenlang heb je, heel bewust, naar dit evenement toegeleefd en dan moet het ineens gaan gebeuren. Het is plotseling koud in het Olympisch stadion. Aan de start nemen de zorgen over de juiste kleding toe. Het startschot van Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, zet me gelukkig in beweging. Lichamelijk, maar zeker ook geestelijk.

De eerste kilometers ben ik nog bewust met hardlopen bezig. Het ene been voor het andere zetten. Maar na de doorkomst in het Olympisch stadion (7,5 km) treedt er een vreemd, maar heerlijk, gevoel van macht, controle en onoverwinnelijkheid op. Ik weet dan al dat ik de hele rit zonder problemen ga afleggen. Ik vertrouw mijn gevoel (intuïtie?) dan alleen nog niet. Tenslotte is er nog ruim 30 kilometer te gaan en de horrorverhalen van ‘specialisten’ over de man met de hamer spoken nog door mijn hoofd. Het goede gevoel gaat echter niet weg. Mijn hartslag moet 145 zijn, dat kan niet anders. Ik kan me makkelijk en bij toerbeurt focussen op mijn interne en externe omgeving. Heerlijk bewust van alles om mij heen loop ik mijn kilometers. Met toenemende snelheid en bevrediging.

Climax.
Ik draaf Watergraafsmeer binnen en ben ruim 30 km in ‘the Zone’ onderweg. Ik zie haar uit mijn ooghoeken langs de weg staan. Ik zie alleen haar. De rest van de toeschouwers lijkt er niet te zijn. Ze is exotisch, chocoladebruin en mollig. Ze straalt feest, energie en passie uit. Kort is er oogcontact, maar ‘a dog in the hunt etc.…’ Ik passeer, verlies het visueel contact, maar hoor nog net alleen haar tussen al het tumult. “Oowwwh, wat een lekker kontje!” roept ze me na met een vet Surinaams accent.

Ik voel me fantastisch. Vol (herwonnen) zelfvertrouwen. De laatste zware kilometers is mijn snelheid hoger en ik finish met een grote glimlach. Trots kijk ik op mijn klok en naar mijn meisje op de tribune. Met nog meer trots kijkt ze naar mij terug. Wat een heerlijke dag!

Thuis durf ik na deze ervaring mijn overhemd weer eerst aan te trekken. Leve de marathon (en leve lycra). De optimale staat van opwinding.

Fantasmagorie


Mijn zoontje van twee (Max voor de insiders) is heel dapper. Vooral overdag, “als het weer licht is, pappa”. Hij jaagt, als ware hij Siegfried zelve, met zijn plastic zwaardje op monsters en draken. Zijn fantasie is ongetwijfeld gevoed door Nickelodeon, Jetix en diverse PS spelletjes (ja, wij zijn dat soort ouders!). Maar ’s nachts, “als het weer donker is , pappa”, dan nemen de monsters en draken kennelijk andere vormen aan. Met een ijselijke schreeuw hoor ik hem dan wel eens ten onder gaan tegen zo’n gedrocht. Even zijn handje vasthouden is voor Max meestal genoeg om de grillige dromen in zijn kleine hoofdje weer tot bedaren te brengen.

Zijn vader van drieënveertig, ik dus (Marc voor de insiders), is niet dapper. Voor Max kan ik dat heel goed verbergen. Er moet voor hem immers een held zijn, die hem onvoorwaardelijk terzijde staat in bange tijden. Ik ben niet dapper en daarom ben ik gaan hardlopen. In plaats van met wapens de strijd met mijn monsters en demonen aan te gaan, wil ik keihard en kilometers lang kunnen wegrennen. Monsters, draken en andere demonen verplaatsen zich met snelheden tot 15 km/uur (heb ik opgegoogled). Ik moet dus sneller zijn. En niet alleen over een klein stukkie. Je schudt die krengen niet zo gemakkelijk af. Mijn handje vasthouden helpt al jaren niet meer.

Theehuis De Mossel ligt midden in een werkelijk prachtig natuurgebied tussen Ede en Otterlo. Zodra het weer een beetje aardig wordt, meestal eind mei, gaat dit theehuis open voor dorstige fietsers en wandelaars (http://www.fietsen.123.nl/routemosselplwambuis.htm). In de winter 2004/2005 volgt de eigenaar, een ‘small business’ ondernemer in de dop, een marketingcommunicatie cursus. Naar eigen zeggen om de RSI-achtige kwaaltjes aan zijn polsen (we zijn tegenwoordig niet meer gebouwd voor het oeroude ambacht van theeschenker) rust te gunnen………. en om , ook niet onbelangrijk, het resultaat van het theehuis te gaan verbeteren (2004 was geen best jaar). Een paradoxaal besluit, maar er moeten meer kopjes thee geschonken worden.

Het is eind mei 2005 en ‘iemand’ heeft monsterachtige verschijning gezien op een heideveld bij Ede. Alle toonaangevende kranten en Sascha de Boer maken er melding van. Het moet dus wel waar zijn. De deskundigen analyseren alle kenmerken van het monster en determineren ‘hem’ als een poema. Geen echt monster, maar we kunnen beter even niet de hei op (veel management teams zijn in deze periode in de problemen gekomen). Er blijkt, god zij dank, een stichting Pantera te zijn om ons uitleg te geven over het doen en laten van een poema. De jacht op de ‘mountain lion’ wordt geopend. Ouwehands Dierenpark wil wel als AZC functioneren, mocht de poema zich niet meer veilig voelen in zijn bergloze territorium.

Op 18 juni 2005 lijkt het of een van mijn boze dromen uitkomt. De monsterachtige poema is nog steeds niet gevangen, maar wordt nog steeds door ‘iemand’, met verrassend regelmatige intervallen, gesignaleerd. Ik doe samen met mijn vrouw van negenentwintig (Carina voor de insiders) mee aan de Groot Ginkelse Loop te Ede. Ruim tien kilometer rennen door het territorium van een, nu wel heel, nerveus opgejaagd monster. Ik breng Max naar oma. Max zegt,” ik ga met oma naar de kinderboerderij en jij gaat hardlopen”. Ik kijk hem in zijn bruine ogen en zeg dapper, zonder hem een spoortje van mijn angst te laten zien (ik wil een goede vader voor hem zijn). “Ja, pappa gaat hardlopen in het bos”.

Het is heet, die 18e juni, aan de start. Er spookt van alles door mijn hoofd. “Als ik ‘hem’ tegenkom, blijf ik dan staan of loop ik hard door?” en “valt een poema onder de categorie monster en is hij daarmee niet sneller als 15 km/uur?” en “Heb ik hard genoeg getraind om deze 10 km. met een snelheid boven de 15 km/uur te lopen?”. Het gaat hier tenslotte om mijn levensbehoud. Ik heb om het beest gunstig te stemmen voorzorgshalve mijn oranje Puma loopschoenen aangetrokken. Ik heb mij bij aankoop reeds laten verzekeren dat er geen dierlijke materialen (lees: poema’s) in verwerkt zijn, en dat ze ook niet in een lab op poema’s zijn getest. Dapper (Max leest dit vast ook ooit nog eens) loop ik naar de startstreep. Ongewapend, slechts in ademende kunstvezels gehuld, ga ik mijn boze droom tegemoet. Door bossen en heide. Prachtige fietspaden en mulle zandwegen. Na ongeveer 5 kilometer, bij Theehuis De Mossel, is er een drankpost. Bekertjes water en natte sponsen verfrissen de verhitte lopers. Het terras aan beide zijden van het pad is meer dan bomvol. Een man met de uitstraling van een ‘small business’ ondernemer loopt met een grote grijns op zijn gezicht de theekopjes bij te vullen. Mijn ogen vallen op de mooie grote koperen theeketel en de leren manchet om de rechterarm van de man.

Mijn aandacht is weer bij de loop en elk bosje langs het pad. “Ga ik ‘hem’ zien en, belangrijker nog, gaat hij mij niet zien?” Naar mate kilometers vorderen wordt ik rustiger. Evenals mijn tempo. Die 15 km/uur tijdens de eerste angstige kilometers kon ik nog wel volhouden. Angst is dus toch een goede motivator. Maar toen ik dacht dat ik ‘hem’ toch wel niet meer tegen zou komen, of eigenlijk toen het me van ellende niet meer uitmaakte of ik ‘hem’ zou tegenkomen, ging de fut eruit. Uiterlijk onbeschadigd passeer ik de finish. Geen heel goede tijd of een medaille, maar wel een overwinning. Een overwinning op mijzelf… en weer een beetje dapperder. Max kan weer trots zijn.

De goedge(thee)mutste ‘small business’ ondernemer toetst met links (rechts is te pijnlijk van al het theeschenken) het nummer van het Gemeentehuis in Ede in. Hij vraagt naar de Burgemeester. “Heb jij je diploma van de marketingcommunicatie cursus ook al ontvangen?, vraagt hij de Burgemeester. “ Ja, je kan wel zeggen dat ons gezamenlijk afstudeerproject POEMA op elke doelstelling heeft gescoord. De gemeente Ede staat weer op de kaart. Iedereen kan ons weer vinden.” De man met de leren manchet schatert. “Het fantoom is goed geweest voor heel veel kopjes thee”.